Grieken zoeken vergeefs naar oorzaak bosbranden

Zijn `vijandige' brandstichters verantwoordelijk voor de bosbranden in Griekenland? Of is het de noordenwind en een gebrekkige brandweer?

,,Tientallen jaren hebben we gevraagd om een wegverbinding met Ioannina. Nu hoeft het niet meer. Wij blijven hier toch niet meer. Laten de Albanezen ons dorp maar overnemen.'' De bevolking van het halfverbrande dorpje Aya Marina, vlakbij de grens met Albanië, is des duivels. Op 6 augustus was de bosbrand diep in het noordelijke buurland begonnen. Men meent ook te weten dat elk jaar op die dag de Albanezen brand stichten uit protest dat ze niet worden uitgenodigd bij de viering, door de christelijke minderheid, van het feest van de Transfiguratie. Dit jaar dreven de noordenwinden de brand in de richting van het Griekse Epiros.

De Albanese autoriteiten hadden niet de middelen, haar te bestrijden. Athene werd gewaarschuwd en stuurde een helikopter, die met Albanese toestemming hier en daar wat water uitgooide. Na twee weken bereikte de brand, bij noordelijke stormwind, Griekenland en zette alles over een front van veertig kilometer in lichterlaaie. Er vielen zeven doden onder de bevolking, allemaal bejaarden – zoals het merendeel van de mensen die hier zijn gebleven ondanks het isolement. ,,Akrítes'' worden ze genoemd, de bevolking die moet zorgen dat de grensstreken Grieks blijven.

Volgens de Grieken worden al jaren alle branden aangestoken. ,,Ze zeggen al lang niet meer ,,dit bos is verbrand'' maar ,,dit bos hebben ze verbrand''. Wie die `ze' zijn, daar lopen de meningen over uiteen. De meesten zien samenzweringen van duistere elementen die in actie komen zodra de noordenwind aanwakkert, meestal na een hittegolf. Maar als dat ergens op slaat, zou men toch elke keer bij zo'n aanwakkerende wind extra alarmdiensten moeten uitzetten, wat niet gebeurt.

Nooit is een `vijandige', dat wil zeggen Turkse of Albanese brandstichter betrapt. Wel heel wat pyromanen (die soms enthousiast aan het bluswerk deelnemen) of gewone onvoorzichtigen die plaatselijk gewas verbranden of een peuk weggooien. Vreemd genoeg vertonen de media geen belangstelling voor hun verdere vervolging. Ook niet voor degenen die verantwoordelijk zijn voor de circa vijfduizend illegale vuilstortplaatsen, waaruit naar schatting 35 procent van de branden voortkomen.

De publicist Nikos Dimou, schrijver van het boekje Het ongeluk, Griek te zijn, had al eens gepleit voor de oprichting van een standbeeld voor de `onbekende brandstichter', op wie al die branden, uit onachtzaamheid voortgekomen, kunnen worden afgewenteld. Hij heeft dit idee deze zomer, waarin nu al tweemaal zoveel schade is aangericht als in 1998, herhaald.

Na de enorme brand op het eiland Samos vonden de twee grootste van dit jaar plaats in Epiros, Noordwest-Griekenland, en in het midden van de Peloponnesos, het `arcadische landschap'. Hier lag het grootste sparrenwoud van Griekenland, Ménalo bij Megalópolis, dat ernstig is aangetast. Terwijl een `gewoon' dennen- of eikenbos zich in twintig jaar herstelt, duurt dat bij sparren volgens deskundigen honderd tot tweehonderd jaar. De brand van Ménalo is zeker niet aangestoken.

Petros Tatoulis, afgevaardigde van dit district, maakte een reconstructie en concludeert dat tot twee keer toe de bliksem op grote hoogte is ingeslagen. Op zichzelf zou dat niet zo erg zijn geweest als maar meteen met het bluswerk zou zijn begonnen. Maar de brandweer, die sinds twee jaar het gezag heeft over de bosbrandbestrijding – daarvoor was dat de Bosdienst van het ministerie van Landbouw – heeft niet het rollend materieel om tot aan de top te komen. Mensen van de Bosdienst zouden de voetpaden hebben geweten waarlangs bestrijdingsmateriaal naar boven zou kunnen worden gebracht. Er zal meer samenwerking, zonder rivaliteit, moeten komen tussen deze twee groepen experts, zegt Tatoulis, die de voordelen van de nieuwe opzet van 1998 bestrijdt.

Toen vorig jaar het aantal bosbranden opvallend gering bleef, noemde de regering Simitis dat een succes voor haar nieuwe opzet van de bestrijding. Maar veel waarnemers, niet alleen bij de oppositie, kan men horen zeggen dat dit gunstige fenomeen was te danken aan de hevige regens in mei.