Geven met subsidie

Nederlanders zijn vrijgevig en hebben grote belangstelling voor fiscale aftrekposten. Desondanks worden de mogelijkheden voor giftenaftrek onvoldoende benut

Een van de opmerkelijkste subsidies die de Nederlandse staat toekent, is de giftenaftrek. Het is een fiscale subsidie die op kan lopen tot 60 cent van iedere gulden die iemand wegschenkt. Zij wordt sinds 1952 gegeven in de vorm van een belastingaftrek. Sinds dat jaar is de aftrek politiek onaantastbaar. Zelfs de komende belastingherziening die maar weinig heilige huisjes overeind heeft gelaten, tast de giftenaftrek niet aan. Verscheidene populaire goede doelen bulken inmiddels van het geld. Nederlanders vormen een vrijgevig volkje of ze bezwijken voor de gedachte aan een vette aftrekpost. In dat kader is het vreemd dat veel mensen de aftrekmogelijkheden onvoldoende uitbuiten.

Met het zachtjesaan uitsterven van de collectebus is het al dan niet spontaan ingevulde giroformulier de meest populaire weg om een gift te doen. Dat is al een hele stap op weg naar de aftrek, want daarvoor eist de fiscus de bewijsbaarheid. Die is er niet bij een storting in de collectebus of het kerkzakje. Een andere voorwaarde bij een eenmalige gift is dat het om een erkend goed doel moet gaan. De uitverkoren instelling moet in Nederland gevestigd zijn, anders kan de fiscus niet nagaan of de geschonken gelden wel echt het algemeen belang dienen. Meestal weet de instelling zelf wel of ze binnen de wettelijke normen voor de giftenaftrek valt. Bij twijfel kan men de belastingtelefoon bellen.

De wetgever kent de fiscale subsidie niet toe aan iedereen die met een bezwaard geweten een keertje vijftig gulden overmaakt bij een televisieactie. Men moet meer dan één procent van zijn inkomen wegschenken. Nauwkeuriger gezegd gaat het om het onzuiver inkomen. Dat is het totaal van alle bruto inkomsten verminderd met de aftrekbare kosten en de hypotheekrente op de eigen woning. De wet stelt deze drempel op minimaal 120 gulden. Bij een onzuiver inkomen van 50.000 gulden en 750 gulden aan giften bedraagt de aftrek 250 gulden. Het restant van 500 gulden (de drempel) is niet aftrekbaar. Men kan de fiscus niet tot in het oneindige in zijn goedgeefsheid betrekken. De fiscus maximeert de aftrekpost op 10 procent van het onzuiver inkomen.

Een minder bekende vorm om de aftrek te benutten, is zelf de handen uit de mouwen te steken voor het goede doel. Mensen die voor bijvoorbeeld de kerk kosten maken, zien er vaak van af die kosten te declareren. Ieder draagt zijn steentje bij, nietwaar? Als de betrokkenen wel het recht hebben de kosten te declareren, dan kunnen ze het feitelijk geschonken bedrag bij hun aftrekbare giften opnemen als giften in natura. Dat kán zelfs doorwerken op diensten die men verricht. Te denken valt aan het voeren van de boekhouding. Hier stuit men al snel op een uiterst kritische belastinginspecteur. De instelling die met deze aftrekmogelijkheid zijn sympathiesanten tot activiteiten wil porren, doet er goed aan eerst in de eigen gelederen een belastingadviseur op te sporen.

Simpeler ligt het gelukkig voor degenen die met hun auto het goede doel ondersteunen. Niet vergoedde maar in beginsel wel declarabele autokosten kan men bij de aftrekpost meenemen voor een bedrag van 35 cent (in 1999 34 cent) per kilometer. Wees er alert op dat menigeen het een enorm goede daad vindt om een auto vol energieke kinderen naar een toernooi van de voetbalclub mee te nemen, maar dat de fiscus daar niet aan meebetaalt. De voetbalclub zet zich niet in voor het algemene nut, maar voor dat van haar leden. Dat geldt ook voor de studentensociëteit en de plaatselijke scoutingvereniging. Het is vaak zo dat de overkoepelende organisaties van plaatselijk actieve verenigingen weer wel een algemeen belang dienen. De afgevaardigden naar regionale vergaderingen en dergelijke kunnen dan de dagteller van hun auto aanzetten. Het is nuttig navraag te doen bij de belastingtelefoon of de penningmeester. Die heeft er meestal lol in dit soort dingen uit te pluizen.

Lang niet iedereen beseft dat er nog een simpeler en zelfs royalere toegang tot de giftenaftrek bestaat: de gift per lijfrente. Dat klinkt misschien afschrikwekkend, maar het betekent niet meer dan dat men tenminste vijf jaar lang een vast bedrag betaalt. Bij overlijden vervalt die verplichting dus men zadelt erfgenamen er niet mee op. Verscheidene beperkende regels gelden opeens niet meer. Men kan het volle jaarlijkse bedrag (de lijfrentetermijn) aftrekken zonder gehinderd te worden door drempels. Ook het plafond voor de giftenaftrek (maximaal tien procent van het onzuiver inkomen) is voor deze categorie niet van toepassing.

De zaak moet wel notarieel worden vastgelegd. De grotere liefdadige instellingen, de kerken en tal van anderen nemen alle rompslomp en kosten graag voor hun rekening. Bij de kleinere is misschien enig eigen initiatief vereist maar daar staat veel tegenover. De ontvanger van de gift hoeft namelijk niet aan het stringente criterium te voldoen dat sprake moet zijn van een algemeen nut beogende instelling. Alle verenigingen die wat om het lijf hebben (algemene rechtsbevoegdheid bezitten) en bij de Kamer van Koophandel staan ingeschreven, kunnen in aanmerking komen. Ze moeten dan wel tenminste 25 leden hebben, anders ligt misbruik te veel voor de hand.

Deze regeling valt voor allerlei kleine verenigingen gunstig uit. Lokale sportverenigingen voldoen doorgaans aan de eisen, net als een studentensociëteit of een reünistenvereniging. Zeker voor verenigingen, die voor een forse investering staan, kan een extra jaarlijkse ondersteuning gedurende vijf jaar een prachtige oplossing zijn om de gekoesterde plannen te realiseren. De leden kunnen de betaalde lijfrentetermijn als gift aftrekken. Zij krijgen daar een mooier clubhuis voor terug en worden niet geconfronteerd met een hogere (niet-aftrekbare) contributienota. Een ding mag men niet vergeten: het moet gaan om een gift. Dus een schenking uit vrijgevigheid waar geen rechtstreekse tegenprestatie tegenover staat. De aftrekmogelijkheid werkt niet als men de jaarlijkse contributie in het jasje van een aftrekbare lijfrente steekt. Al hoort men vaak genoeg dat de fiscale vindingrijkheid van de Nederlanders tot vreemde kronkelwegen leidt.