Empedoklets

Het vergezicht vanuit Agrigento is schitterend, en 2500 jaar geleden – toen het nog Akragas heette – was het minstens zo mooi. Wie aan zee woont in het zicht van de Etna, gaat vanzelf denken over de rol van water, aarde, lucht en vuur. Maar je moet echt lef hebben om vol te houden dat de oneindige veelheid die je ziet tot stand komt door een samenspel van slechts vier `elementen', stoffen die niet verder te splitsen zijn tot andere. Enig respect voor Empedokles is dus geboden, want ook toen hij geboren werd waren het Siciliaanse landschap en het leven van een verbluffende verscheidenheid.

Zoals de meeste mensen had ik nog nooit een letter van hem gelezen, en ik was dus blij met het dunne boekje dat, in de vertaling van Ferwerda, alle 154 bekende snippers van Empedokles' werk bevat. 't Was een cadeau ter gelegenheid van mijn benoeming in Leiden, van een jonge collega uit Groningen. Hij kent zijn klassieken, kan uit zijn hoofd uit Timaeus citeren, en hij heeft de moed nog niet opgegeven om mij wat bij te spijkeren.

Naast die 154 fragmenten bevat het boek nog wat commentaren van latere filosofen, waar soms aardige dingen in staan, maar die geen van allen wetenschappelijke vragen stellen. Het heeft meer van een politieke of godsdienstige discussie, waarin het er voornamelijk om gaat de tegenstander te vloeren.

Tot mijn verbijstering is er in het hele werk niets te vinden dat ook maar zijdelings raakt aan wat wij tegenwoordig natuurkunde noemen. Zoals de meesten die het origineel niet hebben gelezen dacht ik dat Empedokles een voorouder in rechte lijn was van Dalton en Mendelejev. Maar daarvan blijkt helemaal niets.

Dat gebrek aan fysica is des te vreemder omdat Empedokles al meteen aan het begin van zijn betoog de lezer op het hart drukt toch vooral zijn zintuigen te gebruiken. Vervolgens weidt hij uit over alles wat die waarnemingen ons leren, volgens hem, maar zonder een spoor van precisie, bewijs, toetsing of voorspelling. Niets in de trant van `Onder water weegt een blok brons slechts vier vijfde van wat het op 't droge weegt'. Niets van het type `Dat ik gelijk heb, kun je zien aan het feit dat water en olie niet mengen, maar water en wijn wel.' Volgens deskundigen construeerde Empedokles zijn theorie naar analogie van de toenmalige schilderkunst, die met vier basiskleuren werkte: zwart, wit, rood en groen. Ook dat verheldert de zaak niet, want uit die vier kun je beslist geen blauw of geel mengen.

Ik geef toe dat het allemaal mooi klinkt, en ik kan me voorstellen dat talloos veel miljoenen erin geloofd hebben. Maar zou er nu 25 eeuwen geleden niemand geweest zijn die vroeg: Welke aarde? Een stuk rots, of goud, of zand? Welk water? Het zoute water van de zee, het groene water van de rivier, de heldere regen? Welk vuur? De traag vloeibare lava van de Etna, de gloed van de Zon, of de spartelende vlammen van brandende dennenaalden? Welke lucht? De wind vanuit Afrika, de gele dampen van de Etna, of de ruft van de hogepriester van Dionysos?

Na lezen en herlezen blijven er twee raadsels over. Beide zijn waarschijnlijk onoplosbaar. Ten eerste: waarom kwam men pas een paar honderd jaar geleden met elementaire zaken zoals kwantitatief werk, en terugkoppeling naar de waarnemingen door middel van exacte voorspellingen? Nu pas begin ik een beetje te begrijpen waarom geschiedkundigen schrijven over de `wetenschappelijke revolutie'. Ik blijf met stomheid geslagen dat het zo onbeschrijflijk lang heeft geduurd voordat de wijsgeer voor een onsje wijsheid aanklopte bij de timmerman; de eenvoudige handwerker die, ongeletterd en al, wist dat drie latten met lengtes van 3, 4, en 5 eenheden, tezamen een rechthoekige driehoek vormen. Voor een Echte Denker is zoiets blijkbaar te plat. Filosofen zijn mensen die eindeloos kunnen praten over het probleem of de kat tot de twee-plus-tweepotigen behoort, of tot de twee-maal-tweepotigen.

Behalve het getal 4 komt er niets kwantitatiefs aan de orde. Nergens vind je `Als je drie delen water een week lang schudt met een deel lucht en twee delen aarde, krijg je een hamster'. Lach niet: in de zeventiende eeuw beweerde Van Helmont bijna exact hetzelfde. Alles blijft kwalitatief, in zinnen van het type `Olijven kosten drachmen.' Alleen de dorpsgek van Agrigento heeft daarmee genoegen genomen. Alle anderen verwachtten ten minste een kwantitatieve uitspraak, zoals `Een talent olijven kost duizend drachmen.' Maar Empedokles kon dat niet bommen, waarschijnlijk omdat hij de olijven door zijn personeel liet kopen. Mijn pas overleden promotor Henk van de Hulst leerde mij als groene promovendus een belangrijke les. Hij zei: ``Als je iets schrijft, loop er dan doorheen en zoek naar plaatsen waar je kwalitatieve dingen hebt geschreven: deze ster is `een beetje' groter dan die, dit sterrenstelsel is `veel ouder' dan dat. Ga die dan door kwantitatieve vervangen. Lukt dat, dan heb je een bijdrage geleverd; als dat niet kan, ben je een onderzoeksonderwerp op het spoor.''

Dus hoeveel aarde, water, lucht en vuur zit er in Product X? In onze uitdrukking H2O zie je dat meteen al: precies 2 van teen en 1 van tander (trouwens, waarom H-2-O, en niet H-2-komma-1-O of H-pi-O? Daarachter schuilt de quantummechanica, waarover later meer). Al die Empedokleanen moeten toch dagelijks hebben opgemerkt dat de bakker steeds een vaste verhouding water en meel dooreen kneedde, en de pottenbakker een bepaalde verhouding water en klei. Zou er nu niemand in heel Agrigento en omstreken op het idee zijn gekomen om Empedokles eens aan de tand te voelen over de receptuur, over gedetailleerde voorspellingen, en over mechanismen die elke bouwvakker met touw en katrol kan aantonen? De eerste de beste Griekse smid of metselaar begreep meer van natuurkunde dan al die vorsers bij elkaar. Het is niet oneerlijk om Empedokles e tutti quanti hun houding in te peperen, want hij hoefde maar even naar het strand te lopen (vanuit zijn villa kon je de zee prachtig zien) om een uurtje bij een scheepswerf door te brengen, en hij zou al een stuk wijzer zijn geworden. Maar handwerk was te min. In 2500 jaar verandert er aan onze genetische constitutie zo goed als niets; misschien was de jongste steenhouwersknecht in Agrigento wel net zo slim als Einstein.

Het tweede onoplosbare probleem is: waarom spreekt de aanpak van Empedokles meer aan dan die van Huygens, ook nu nog? Het is een onthutsende ervaring om mensen op televisie te zien zwijmelen over aura's, aardstralen, graancirkels en geloven, terwijl hun kletspraatjes met de lichtsnelheid het Heelal in stromen dankzij datgene wat zij ontkennen: de wetenschap van Faraday, Maxwell en hun opvolgers. Liever openbaring dan verklaring. Dat is inmiddels ook de basis van het onderwijs geworden, dankzij de sociale touchy-feelie benadering die voornamelijk blijkt te dienen voor het opleiden van de kritiekloze kijkers waaraan het meest verdiend kan worden. Onlangs zag ik hoe drie helder denkende mensen – Karin Spaink, Marcel Möring en Piet Borst – door het schellinkje werden weggehoond in een tv-confrontatie met zo'n leep kruidenvrouwtje. Zodra je je met het Hogere bezighoudt, moet je blijkbaar de fysica laten varen. Maar de camera's waren al ingepakt toen Borst een gelovige die hem zojuist nog had verzekerd als een kievit te lopen dankzij genoemde toverkol, op krukken naar een auto zag strompelen. En wie was het ook alweer die, bij het zien van soortgelijke krukken die aan de muren in de grot van Lourdes hangen, uitriep: `Wat! Geen houten benen?'

Ziende dat er van aarde-water-enzovoorts geen spaan is heel gebleven, vraag je je af hoe het over 2500 jaar zal zijn. Is er iets beters dan werken met experiment en wiskunde? Een pissebed begrijpt niets van de quantummechanica, dus waarom zouden wij alles in het Heelal begrijpen met ons apenbrein en onze apenmethodes? Menselijk DNA verschilt niet eens zo dramatisch veel van dat van een geleedpotige. Vrijwel geen enkele a priori uitspraak is ooit juist gebleken, of het nu gezegd werd door een filosoof, door een profeet, of door een natuurkundige: je zou een boekenkast kunnen vullen met lapidaire uitspraken van wetenschappers waar geen bliksem van bleek te kloppen, hoe zelfverzekerd ze ook waren. Wat is dan het verschil tussen toen en nu? Een echte wetenschapper durft het aan om nooit honderd procent zekerheid op te eisen, en steeds dicht bij het experiment te blijven. De tegenwoordige natuurkunde loopt het gevaar zich net zo los te zingen van de feiten als die ouwe Grieken, getuige de ontwikkelingen in de kosmologie en de theorieën van elementaire deeltjes. Je kunt Empedokles waarderen omdat hij doorzag dat er iets uit te leggen viel, dat er onderliggende mechanismen zijn die je pas bij scherper bestuderen opmerkt en misschien kunt ontrafelen. Hij had het hart op de juiste plaats. Verder zat alles scheef, maar over de doden niets dan goeds. Dat is een elementair rechtsbeginsel, want deze gedaagden kunnen zich niet verdedigen. Maar met zijn levende opvolgers heb ik een appeltje te schillen.