Denker tussen dagelijks Brood

Aflevering 7: Waarin Max bij het inpakken van het brood filosofeert over zijn toekomst en verwarde dames te hulp schiet.

Max van Zutphen (15) zit in de derde klas van het gymnasium en heeft sinds vier maanden een bijbaantje op de broodafdeling. Hij woont met zijn ouders en kat Usha in Den Haag.

Hij mag dan wel verplicht een strohoedje met rood lintje op moeten, gék is hij niet. Max van Zutphen (15) recht zijn schouders en blaast zijn wangen bol. Hij is trots op zijn werk, wat ze er op school ook van zeggen.

'Ze lachen me soms uit, denken dat het lomp werk is, brood inpakken, maar ik vind dat... ja... evenzeer een lompe gedachte, eigenlijk.'

Max begon vier maanden geleden zijn bijbaantje op de broodafdeling. Hij werkt er een paar uur per week, als zijn schoolrooster het toelaat. 'Ik moet nu wel een beetje gaan oppassen, hè', zegt hij zacht, 'want ik ben, zeg maar, min of meer blijven zitten.' Hij kijkt geconcentreerd. Zijn handen zijn nog net te klein om vier petits pains tegelijk vanaf het werkblad in een zak te steken, dus doet hij het twee bij twee. 'Tsja, dat ik doubleer op school, d r zijn mijn ouders niet zo blij mee. Maar ik heb al meerdere keren aan ze £¡tgelegd: dat komt gewoon omdat ik even geen zin had om op te letten. Ja, dat is dan wel geen excuus, maar wel de reële waarheid.'

Een jaartje langer over het gymnasium doen 'maakt niet zoveel uit', want Max heeft geen haast. 'Vijftien jaar is toch nog jong. Niet echt héél jong, maar jong genoeg om de tijd te nemen, zo zie ik dat.' Hij zucht en draait zijn ogen omhoog in een poging een vurig puistje op zijn voorhoofd waar te nemen. Hij wil het niet kapotkrabben - de meest prangende strijd van elke puber, tussen dermatologisch verstand en krabverlangen - en wrijft met de rug van zijn hand enkele malen over de rode plek.

'Ik ga trouwens waarschijnlijk een metalband oprichten met een vriend. Dat is tamelijk ongebruikelijke muziek, tenminste, in mijn klas vinden ze dat nogal vaag. Als het met de band niets wordt, wil ik journalist worden.' Hij knijpt zijn ogen samen, zucht geërgerd en laat dan opgelucht het verlangen winnen. Met de rand van zijn strohoed trekt hij rode krassen over zijn voorhoofd.

Max pubert met zijn vijftien lentes dat jaar door waarin al van alles moet, maar de écht leuke dingen nog twaalf maanden ver weg zijn. Oud genoeg om zijn eigen zakgeld te verdienen, te 'klein' volgens zijn ouders om alleen op vakantie te gaan - en dus vertrekken ze morgen met zijn drieën een week naar Duitsland. Volgend jaar, als hij 16 is, wil hij 'ab-so-luut' met vrienden een paar weken fietsen en kamperen. Volgend jaar ook mag hij volgens de wet brood bakken en snijden, supermarktzaken die voor een 15-jarige om veiligheidsredenen taboe zijn. Inpakken mag wel, net als de prijs stickeren en hand- en spandiensten verrichten achter de balie.

Max is een denker, niet voor één gat te vangen. Of hij gebruik zal maken van zijn bak- en snijrechten, weet hij nog niet zo zeker. 'Als ik 16 ben, zijn er zoveel mogelijkheden. In kroegjes bedienen lijkt me ook wel leuk. Ik moet het allemaal nog eens afwegen.'

Tot die tijd rent hij onvermoeibaar over de afdeling en laat hij zich de kleine plagerijen van collega's welgevallen. 'Je bakt ze niet te bruin, hè, Maxie?' Max glimlacht gelaten en bloost zijn sproeten onzichtbaar. Hij mompelt binnensmonds iets terug, maar dat gaat verloren in het zoeven van de manshoge ovens die onophoudelijk vers brood uitspuwen. 'Focaccia, Mexicaanse broodjes, Campagnardbrood', somt hij de toevoer geroutineerd op en hij draagt de zakjes brood naar de bakken langs de winkelpaden. 'Wat zien ik daar nou?' stoot een vrouw hem joviaal aan. Max wankelt even en stort zijn overvolle armen vol brood in opperste nood in het eerste het beste rek. 'Champagnebrood?' kweelt de vrouw. 'Wordt het nog gekker hiero? Dat zal me een feestje worden bij het ontbijt.' Haar vriendin valt haar schouderschurkend en giechelend bij. 'Dat is campagnard, mevrouw', antwoordt Max behulpzaam. 'Daar zit geen champagne in, hoor. Dat is gewoon weer een nieuw soort brood. Maakt u zich geen zorgen.'

Rond vieren mag hij pauze nemen. In de kantine bestelt hij een Mars-reep en een beker cola. Hij hapt en drinkt zwijgend, laat zijn hoedje in zijn vrije hand ronddraaien en lacht hier en daar afwezig mee met zijn tafelgenoten. 'Ik moet zo weer naar beneden, hoor', merkt hij na een kwartier op. 'Anders worden ze misschien wel boos.' De kantinejuffrouw schuift even aan aan de tafel en knipoogt naar hem. 'Rolletje drop zoals gewoonlijk, voor onderweg?' M

Volgende maand: Francis Dorlas als middelpunt van het hart van de werkvloer: de kantine.