De bibliothecaris als aanhangsel

In nog geen vijf jaar is de wereld van de bibliotheek verworden tot een plek die nog het beste vergeleken kan worden met een zandwoestijn. Wat ooit voorbestemd was een afspiegeling van `de maatschappij' te worden, werd een lachspiegel. Niettemin is er natuurlijk sprake van een afspiegeling, want zo lachwekkend als het momenteel in de bibliotheek toegaat, zo driest ziet die `samenleving' er ook uit, tenminste de buitenste ring of schil daarvan.

Zo'n 25 jaar geleden, toen de eerste tekenen van verval zichtbaar werden, werd een dergelijke ontwikkeling wel teloorgang of verloedering genoemd, afbraak, ondergang. Dat hoor je nu niet meer, niet omdat die verschijnselen verdwenen zijn, maar zo algemeen verbreid dat een protest geen zin meer schijnt te hebben.

De bibliotheek heeft geen mogelijkheid onbenut gelaten om de risee van Nederland te worden. Ze heet nu `de bieb'. Het is nog maar een paar jaar geleden dat een schrijver, op onze bibliotheek uitgenodigd voor een spreekbeurt, de handen op elkaar kreeg toen hij getuigde van zijn hartgrondige hekel aan het toenemende gebruik van het woord `bieb'. Zoiets lijkt niet alleen heel lang geleden, het lijkt alsof het nooit gebeurd is.

Op dit moment staan de bibliotheek en haar officiële geloofsuitdragers zich erop vóór `de bieb' te mogen heten. Ze genieten er openlijk van met een kinderlijk genoegen. De sfeer van de huidige openbare bibliotheek, die in mijn geval ook nog `een wetenschappelijke steunfunctie' bezit, doet nog het meest denken aan die van winkelend publiek in een tjokvolle binnenstad, maar dan niet zo druk.

Maar de manager die aan het hoofd van deze `organisatie' staat – en niet de bibliothecaris, omdat het inderdaad een `organisatie' is en geen bibliotheek – ziet dit anders. Hij is trots op het geavanceerde, voor de zoveelste keer `ge-update' computercatalogussysteem, op de `ge-upgrade' cd-rom-naslag-collectie, op de kleurenkopieermachine, op de nieuwe geldwisselaar (speciaal voor internet en kopieeractiviteiten), op de koffieautomaat en op de liften, die allemaal weer vernieuwd zijn, evenals het complete meubilair.

Welk doel staat hem voor ogen? De bibliotheekmanager zoekt het publiek. En die zoektocht had tot resultaat dat er een bibliotheek is ontstaan zonder enige geur of sfeer van boeken, en zonder de vragen en gesprekken die daarbij horen. Als er toch iets van het laatste waarneembaar is, is het alsof die vraag is verdwaald, niet echt zo bedoeld, alsof de steller ervan de draagwijdte ervan niet heeft overzien. De omgeving leent zich er niet meer voor.

De `digitaliteit' heeft de macht overgenomen: in de catalogus, als naslagwerk, communicatiemiddel, en als intermediair. De bezoeker werd zijn eigen `reader's adviser'. Hij en zij communiceren met het beeldscherm. Ze kletsen, lachen, foeteren en neuriën ertegen. Uren kunnen zij achter de schermcatalogus doorbrengen.

Het jonge, moderne publiek, met in zijn kielzog zo langzamerhand al de anderen, komt niet naar de bibliotheek voor de bibliotheek, maar voor de computer. In de computer zoekt het niet zozeer naar een of ander boek of nuttige informatie, het speelt slechts met de mogelijkheden om zich door de verveling heen te zeulen, waarbij de wereld intussen evolueerde van A4-tje naar e-mailtje.

In het gunstigste geval zijn de moderne bezoekers allemaal op hetzelfde moment op zoek naar hetzelfde flinterdunne boekje – in vertaling. Als het om een Nederlandse auteur gaat, zijn ze steeds meer teleurgesteld als er van het boek niet ook een verkorte schooluitgave bestaat.

Veel vragen verdienen niet langer het predikaat `vraag'. Ze zijn bibliotheek-atypisch van aard: `Kunt u een gulden wisselen?'; `Waar is het toilet?'; `De kopieermachine ( of de computer) is vastgelopen en de toner moet worden vervangen'; `Heeft U een elastiekje voor me, een stukje plakband of een nietapparaat?'; `Hebben jullie ook boeken met boekverslagen, ik moet een boekverslag hebben van Het bittere kruid?'

De huidige, jonge vragensteller staat wel in een uiterst schril contrast tot het bibliotheekpersoneel, dat met zijn kennis – van huis uit en in de jaren opgebouwd – niemand meer van dienst kan zijn. De bibliothecaris wordt opgenomen in een maalstroom van gonzende activiteiten – het aanhoudend sleutelen aan en `resetten' van toestellen, het teruggeven van geld en het aanbieden van excuses – die van een buitengewone geestdodendheid en afstompende werking zijn. De vermogens waarover de bibliothecaris nu eenmaal beschikt en die hem scherpte, geestkracht, helderheid en vitaliteit zouden kunnen geven, en zijn bestaan en vak de waardigheid en aardigheid verschaffen die hij of zij verdient, worden niet langer aangeboord.

Ook de andere kant van het bezoekersspectrum, de zogeheten vaste klantjes, bezorgt de bibliothecaris weinig plezier. Deze kring der vastgeroesten vereert dagelijks om één en dezelfde, vaak onnozele, of om geen enkele reden, de bibliotheek met een bezoek. Onvoorwaardelijk geconditioneerd, vinden zij blind `de bieb', die op en voor hen de klok gelijk zet. Nooit iets vragend, nimmer een woord zeggend, lezen deze bezoekers eeuw in, eeuw uit hun periodiek, drinken hun bekertje koffie, of zitten alleen maar op hun stoel voor zich uit te staren, of leggen dagelijks hun loopje door het gebouw af. Zijn het dwangneuroten, die elke dag een kijkje naar de bibliotheek moeten nemen of zorgen ze voor de fossilisering van de bibliotheek, waardoor een gewenst evenwicht met de moderne tijd wordt bereikt?

Tussen deze twee dominante soorten bezoekers zouden zich de `echte' lezers of gebruikers moeten bevinden, maar zij komen niet. Zij zouden het gezicht en het geluid van de bibliotheek moeten zijn, maar het is anders. Gezichtsloosheid en ruis vullen de zalen.

De bibliothecaris is een aanhangsel van zijn eigen bibliotheek geworden, een digitaal toevoegsel of staartje. Als een worm is hij verdreven uit zijn eigen boekenwereld, die door andere wormen is stuk gevreten.

Tom Gitsels is bibliothecaris.