De beeldenstorm

Van het een komt het ander. In dit geval: het is begonnen met lastige kinderen en het eindigt met een kaart van Nederland voor verhuisde en verdwenen sculpturen.

Een paar weken geleden hadden Der Spiegel en Vrij Nederland de ongehoorzame jeugd ontdekt. Ook in andere kranten stond plotseling veel meer over lastige kinderen. Je kunt je wel voorstellen hoe dat gaat. De hoofdredacteuren hebben de leeftijd om ,,in de kleine kinderen te zitten''. Die hebben vakantie. De hoofdredacteuren moeten de kommerkommertijd overbruggen. ,,Ik heb een idee!'', zeggen ze, vrijwel op hetzelfde ogenblik. ,,Als we de volgende week eens...'' En zo staat de jeugd plotseling in het brandpunt van de belangstelling.

Ik deed eraan mee, schreef een stukje waarin ik vertelde dat toen wij klein waren en onze ouders dreigden te slaan, daarvan werden weerhouden door het vooruitzicht dat dan ,,je hand boven het graf zou groeien''. Ik dacht ook nog aan Stoute Piet. Die ging nooit naar school, of hij vroeg om centen, en dan kocht hij balletjes, snoeperij of krenten. Foei! Wat lelijk van zo'n knaap. 'k Mag niet met hem spelen. Want het is zeker waar: van snoeperij komt stelen!

Ik vond het toen te ver gaan, dit gedicht te citeren. Maar nu, voor de volledigheid, heb ik het toch gedaan. Over de hand boven het graf kreeg ik een brief waaruit ik hier een passage citeer: `In de jaren twintig werden mijn broer en ik door onze ouders naar de grote kerk van Haarlem, de St. Bavo, gebracht. Naast allerlei andere bijzonderheden werd ons daar een grafzerk getoond met een metalen dop erop. Daar lag begraven een jongetje dat zijn moeder had geslagen met een schaats. Zijn handje groeide door de zerk heen. Zelfs de dikste zerk kon een vingertje niet tegenhouden. Toen is er maar een koperen dop op gezet. Met mijn kinderen ben ik het graf van dat stoute kind gaan bezoeken, zoals alle echte Haarlemmers van mijn generatie dat deden.' Intussen is de situatie veranderd. De dop, aldus mijn briefschrijver, is niet meer te vinden. Er lag een houten plankier. Waarschijnlijk, concludeer ik, is de kerkvloer op de schop genomen.

Waar is die dop? Zo kom ik op de standbeelden. Ik weet nu waar de sculptuur van de uit de aarde omhoog stekende armen staat: is verhuisd van het Amsterdamse Museumplein naar het Beatrixpark (zie foto van vorige week). Het is geen begraafplaats van stoute kinderen. Je zou, schreef ik, een kaart van Nederland kunnen tekenen met de plaatsen van verdwenen en verhuisde standbeelden. Dat veronderstelde ik toen; nu weet ik het zeker. Uit alle windstreken komen de meldingen binnen. En natuurlijk: er zit veel meer aan vast dan je denkt, terwijl je zoiets opschrijft.

Vergeleken met vrijwel alle buitenlanden zijn wij de allergereserveerdste heldenvereerders. Het moet wel een zeer bijzonder mens zijn geweest, als we zijn aanblik op een paard in brons kunnen verdragen. Met dergelijke monumenten hoeven we dus niet te slepen. Na koningin Wilhelmina hebben we, bij mijn weten, niemand meer op een paard gezet.

Wel zijn we liefhebbers van sculpturen in het algemeen gebleven. We eren iemand met een beeltenis in drie dimensies. We maken een omgeving mooier door een sculptuur in park of vijver te zetten. Een groot bedrijf laat zijn genegenheid voor de werknemers blijken door een kunstenaar te vragen de hal of kantine te versieren. En dan, tot verrassing van bijna iedereen, krijgt plotseling een andere trek van onze volksaard de overhand: de democratische, de egaliserende, de furie van het wie denken ze wel dat ze zijn!

De Beeldenstorm steekt op. Indertijd konden de ambtenaren van de Amsterdamse gemeente in de kantine geen hap meer door hun keel krijgen als ze naar Karel Appels Vragende Kinderen keken. De voorstelling op de muur werd overgeschilderd. Omwonenden worden iedere dag misselijk als gevolg van een abstract beeld in hun uitzicht. Veel kunstbeschouwing gaat bij ons via de organen van de spijsvertering. Beelden worden gesloopt om de maag van de buurt te redden. De jeugd – die weer! – oefent een beetje in zinloos geweld. Of de held van gisteren valt bij een revisie van de geschiedenis in ongenade. Zijn aanblik wordt onverdragelijk. In de Franse Revolutie hingen ze levende mensen aan de lantarenpalen. Vandaag bestellen we een hijskraan om de stenen en de bronzen te deporteren, of mannen met pneumatische hamers voor de openbare executie. Lenin mag van geluk spreken dat hij bij een rijke Groninger in de boomgaard asiel heeft gekregen.

Kortom: het vraagstuk van de openbare veiligheid geldt niet alleen de bejaarden. Kunst in de openbare ruimte is verhuisd, gesloopt, gestolen, gevandaliseerd. Ik vroeg u, als u van zo'n geval wist, het mij te melden. Misschien, dacht ik, valt er een kaart van Nederland te maken; het Nederland van de Verdwenen Sculpturen. Uit Hoorn, Utrecht, Nijmegen, Amsterdam en Rotterdam, om maar een paar steden te noemen, stroomden de meldingen binnen. Voorzover ik het nu kan beoordelen, geeft het een merkwaardig beeld van de natie, een `cultuur-negatief' noem ik het, tot een ander of mij iets beters te binnen schiet. Dankzij uw reacties ziet het er op het ogenblik veelbelovend uit.