Bleke bazen zachte krachten

De Koude-Oorloggeneraals zijn met pensioen, maar maandag opnieuw nieuws. Dan rapporteert de parlementaire commissie-Bakker over Nederlandse deelname aan internationale vredesmissies. Maar wie zijn hun opvolgers? Winnen zij de oorlog wel? `Het leger is een burgerbedrijf, maar soms moet je mensen op een gevaarlijke missie sturen.'

In het voorjaar van 1993 stond Ruart Klaver, toen nog kapitein-luitenant ter zee, op het Rode Plein. In uniform. Hij was in Moskou voor besprekingen over `het verdrag ter voorkoming van aanvaringen op zee'. Mooi plein, vond hij. En hij dacht: ,,De wereld is toch wel behoorlijk veranderd.''

Tot 1989 had Hans de Jong zich nauwelijks kunnen voorstellen dat de Russen níet binnenvielen. Hij was majoor en werkte op de afdeling plannen van de luchtmachtstaf in Den Haag. Die dreiging, daar geloofde hij ,,heel stevig'' in. Maar toen de Muur viel? Toen moest er, zegt hij nu, gewoon een nieuw plan worden bedacht. ,,Alles werd minder. Minder vliegtuigen, minder bases. Dat deed pijn natuurlijk.''

Twee jaar na het eind van de Koude Oorlog zat Marcel Urlings in Noord-Irak. Hij was luitenant-kolonel bij de landmacht en commandant van een geniebataljon dat tenten bouwde voor Koerdische vluchtelingen. Urlings vond het een ,,geweldige challenge''.

Klaver, De Jong en Urlings hebben nu de rang van generaal, ze horen bij de nieuwe militaire leiders. Voor hun vroegere bazen, de topmilitairen op het ministerie van Defensie, was het begin jaren negentig nog wennen dat de krijgsmacht een nieuwe taak had: ver van Nederland de vrede bewaren, of die afdwingen.

De Koude-Oorloggeneraals zijn nu met pensioen. Het publiek wist wie ze waren. Chef Defensiestaf Arie van der Vlis, bevelhebber van de landmacht Hans Couzy, en de eerste commandant van het Duits-Nederlandse legerkorps, Ruurd Reitsma. Ook in hún tijd hadden Nederlandse hoge militairen niet het aanzien en gezag van hun Britse, Amerikaanse of Franse collega's. Ze misten oorlogservaring. Niet-opvallen was een kwaliteit waarmee ze het ver konden brengen in de krijgsmacht.

Maar ze maakten, zoals Couzy, weleens in het openbaar ruzie met de minister. Ze zeiden ook weleens wat, ze namen stelling. Tegen militair ingrijpen in Joegoslavië bijvoorbeeld, of tegen bezuinigingen. Natuurlijk waren ze loyaal. ,,Maar waarom'', zei een generaal-majoor in 1993 in Vrij Nederland, ,,mogen politiecommandanten voortdurend in de krant staan en wij niet?''

Generaals van nu vragen zich dat niet meer af. Zij hoeven niet zo nodig in de krant. Bijna niemand kent ze. Ze zijn voorzichtiger, loyaler, en misschien ook wel kleurlozer dan ooit.

,,Het wordt niet op prijs gesteld'', zegt vice-admiraal Ruart Klaver, ,,als iemand met wilde ideeën naar de pers loopt.'' En over zichzelf: ,,Ik ben niet zo van op de tafel springen en zeggen wat ik ergens van vind. Niet een type dat gaat brullen.''

Luitenant-generaal Marcel Urlings: ,,Je moet geen uitspraken buiten je boekje doen.'' Maar hij is, vindt hij zelf, geen `angsthaas': ,,Ik heb ervaren dat een meerdere, of de minister, een positief kritische houding waardeert.''

Commodore Hans de Jong las vraaggesprekken met Couzy altijd `met kromme tenen'. Hij vindt: ,,Spanningen over loyaliteit moeten niet naar buiten komen.'' Maar dat zegt De Jong in het eerste gesprek voor dit verhaal. Van de drie is hij het laagst in rang, en hij zal, misschien niet toevallig, van de drie ook het meest kritisch durven zijn. ,,Heb je de cartoon in de Volkskrant gezien'', vraagt hij in een later gesprek. Over de verdeling van financiële `meevallers'. Minister De Grave van Defensie zit aan tafel met zijn collega's. ,,Een klein mannetje, en hij wil geen geld claimen voor zijn ministerie.''

Klaver (50) van de marine, De Jong (47) van de luchtmacht en Urlings (50) van de landmacht zijn militaire leiders van ná de Koude Oorlog. Ze zitten, nu nog, net onder de top van bevelhebbers en de chef Defensiestaf, maar ze gelden in de krijgsmacht als veelbelovend, talentvol, ze zijn de `nieuwe' generaals.

Klaver werd twee weken geleden bevorderd. Hij was schout-bij-nacht en plaatsvervangend bevelhebber van de marine in Den Haag. Nu is hij vice-admiraal, hij wordt `deputy commander-in-chief Eastern Atlantic' bij de NAVO. Urlings werd in maart luitenant-generaal. Hij was plaatsvervangend bevelhebber van de landmacht, nu is hij commandant van het Duits-Nederlandse legerkorps in Munster. De Jong, sous-chef beleid en plannen bij de luchtmachtstaf in Den Haag, is een van de jongste commodores in Nederland.

In de jaren zestig zaten ze op de middelbare school, of ze volgden hun militaire opleiding. Alle drie komen ze uit een katholiek gezin. Ruart Klaver, zoon van een marine-officier, werd geboren in Indonesië. Hij woonde met zijn ouders in Den Helder, op Curaçao, en in Voorschoten. De marine, vertelt hij, leek hem ,,leuk'', ,,afwisselend''. ,,Dan weer varen, dan weer aan de wal. Je komt nog eens in het buitenland.'' Hij zou, als baas van een schip, snel zelfstandig zijn. Hij kon aardig rekenen, maar had ,,geen behoefte'' aan een wetenschappelijke studie.

Hans de Jong is het vijfde kind uit een gezin van zes. Zijn vader werkte na de lagere school bij een zandschipper, daarna werd hij stoker bij Shell, en uiteindelijk baas van de werktuigbouwkundige afdeling. Op zijn twaalfde las De Jong in het dagblad De Tijd over de starfighter. Dat wou hij ook: vliegen. Op de middelbare school in Amsterdam-Noord haalde hij onvoldoendes voor geschiedenis. De leraar vond hem te rechts. Zijn ouders waren blij dat hij naar de KMA wilde, dat was goedkoper dan de universiteit.

Marcel Urlings komt uit het Limburgse dorp Geulle. Hij was de vijfde van zeven kinderen, zijn vader was onderwijzer. Hij ging naar de KMA omdat hij ,,een stukje zingeving'' zocht. Het leger, vond hij, dat was toch wat anders dan een koekjesfabriek. Hij voelde de dreiging van het Oostblok. En het leek hem een `uitdaging' leiding te geven aan mannen die met hun voeten in de shit stonden.

Bij de poort van de marinierskazerne in Doorn staan op een maandagmiddag in maart vijf officieren. Het is twee uur. Ruart Klaver, dan nog schout-bij-nacht, had onderweg nog een paar minuten gewacht, hij was te vroeg. Nu wordt hij door zijn chauffeur het terrein opgereden. Hij stapt uit de donkerblauwe Opel Omega. Een marinier blaast op zijn trompet het signaal `Geeft acht', de officieren salueren. ,,Traditie'', zal Klaver later zeggen, ,,daar hechten wij zeer aan. Het geeft cachet aan de zaak.''

De mariniers maken zich gereed voor een oefening in Kosovo. Ze hebben voor de schout-bij-nacht een diapresentatie voorbereid, en drie toespraakjes. Een officier vertelt over de lessen die ze volgden: cultuur en geschiedenis van de Balkan. ,,Het is diepgewortelde haat. Het conflict begon al eeuwen terug. Het is platvloers en belangenverstrengeling van de verschillende partijen.''

Na de briefing wordt Klaver rondgeleid. De mariniers leggen uit dat ze geld nodig hebben voor nieuwbouw. In de keuken wijzen ze op de ramen: enkel glas. ,,Het weer komt er doorheen, schout-bij-nacht.'' Klaver knikt en bekijkt vochtplekken op de muren.

Nee, zal hij later zeggen, vochtplekken bestuderen, dat was niet waar hij van droomde toen hij bij de marine ging. Klaver zit in zijn werkkamer op de Admiraliteit in Den Haag. Het meubilair is donkerbruin, aan de muur hangen schilderijen van schepen op woeste zee. ,,Maar het hoort erbij.'' Hij zoekt nóg een voorbeeld van een moment waarop hij dacht: wat zit ik hier te dóén? ,,Het moet iets zijn waarvoor ik niet op mijn flikker krijg als ik het vertel. Het mag geen geclassificeerde informatie zijn.'' O ja, de prijs van een warme maaltijd in het restaurant van de Admiraliteit. Die moet omhoog van vier gulden twintig naar vijf gulden tien. Cynisch lachje. ,,Deze krachtige beslissing zal door mij genomen moeten worden.''

Op een ochtend in het voorjaar bezoekt Marcel Urlings het tweeënveertigste tankbataljon in de Johannes Postkazerne in Drenthe. Zijn laatste werkbezoek als plaatsvervangend bevelhebber van de landmacht. De bataljonscommandant leidt hem rond. Urlings begint gesprekken met: ,,Vertel eens...'' En als hij doorvraagt: ,,Laten we dit eens challengen...'' Of, als hij onder de indruk is: ,,Wat een klus, he? Wat een hell of a job.''

Alleen tegen de vrouw die het magazijn beheert, is hij minder vriendelijk. ,,Nou'', zegt hij als hij weggaat, ,,ik had gedacht dat jij wel wat spannenders te vertellen had.'' Ze krijgt geen hand van de generaal.

Bij de ambulancedienst vertelt een sergeant dat hij iets heeft bedacht: een plastic luifeltje dat aan de ziekenwagen wordt bevestigd. Gewonden liggen droog als ze in het veld worden behandeld. Geweldig, vindt de generaal. ,,Heb je weleens aan de ideeënbus op het ministerie gedacht?''

Eind mei bezoekt commodore Hans de Jong vliegbasis Volkel in Brabant. Hij loopt mank. De laatste conditietest, verplicht bij de luchtmacht, had hij niet gehaald. Hij was gaan hardlopen en blesseerde zijn dijbeen. In de koffiekamer praat de commodore met een sergeant die tijdens de Kosovo-oorlog op vliegbasis Amendola was, in Italië. Hij hing bommen aan NAVO-vliegtuigen. Hij moppert over `die Haagse beleidsmakers'. De Jong: ,,Zeg het maar. Ik kom uit Den Haag, ik ga er een beetje over.'' De sergeant vertelt dat hij diensten draaide van achttien uur per dag. Na zes weken was hij `kapot'. Hij bleef vijf dagen thuis, met zijn hond liep hij over straat en hij huilde.

De Jong luistert, zegt dan dat de man gelijk heeft. Dat hij de commandant er nog op aangesproken had. ,,Maar hij vond dat het goed ging.''

Buiten zegt De Jong: ,,Het was onze eerste oorlog. We stonden een beetje met twee linkerhanden.''

Officieel heet het: de luchtmacht heeft de lessen van Kosovo `geïdentificeerd'. De Nederlandse piloten zullen bijvoorbeeld meer all weather-trainingen moeten doen. Ze kwamen tijdens de luchtacties, vooral de eerste weken, vaak mét hun bommen terug naar de basis, omdat ze de doelen niet konden zien. De Jong: ,,We hadden ons nooit zo gerealiseerd hoe belangrijk dat was. Met slecht weer gingen we niet trainen. We hadden apparatuur, maar we wilden toch ook het doel zien.''

Tijdens de lunch, in de kantine van Volkel, maakt De Jong zich kwaad over de Kosovo-evaluatie in de Tweede Kamer. Parlementariërs vonden dat Nederland te weinig te zeggen had gehad over de Navo-luchtacties. Maar waar het ze om ging, denkt De Jong, was aandacht, ze wilden graag op de foto. Hij was het wel eens met de kritiek op premier Kok. Die had, na het begin van de luchtaanvallen, het volk moeten toespreken. Kok was wel langsgekomen op de vliegbasis in Italië, dat was voor de militairen ,,heel belangrijk''. Maar hij had, vindt De Jong, er ook in het openbaar wat over moeten zeggen. ,,Vanuit Den Haag moesten wij de mannen geruststellen: het is goed wat je doet, het is gerechtvaardigd. Ze zaten er ontzettend mee.''

In zijn boek Manoeuvreren (1996) noemde oud-minister van Defensie Relus ter Beek de landmacht ,,bonkig en hoekig'', ,,in zichzelf gekeerd''. De militairen wisten begin jaren negentig wel dat de wereld was veranderd, maar ze hielden zich vast aan het vertrouwde vijandbeeld. Iedere week overlegde hij met de bevelhebbers, ook van de andere krijgsmachtonderdelen, en de chef Defensiestaf. Maar van een ,,open gedachtewisseling'' was geen sprake, en ,,hardop denken was in dit gezelschap uit den boze''.

De krijgsmachttop was druk, en met tegenzin bezig het leger van dienstplichtigen te veranderen in een beroepsleger. Er werd bezuinigd en gekrompen. De generaals in Den Haag waren tegen uitzending van de, net opgerichte, luchtmobiele brigade naar Srebrenica, maar ze waren ook bang dat de Tweede Kamer de aankoop van helikopters voor het bataljon zou tegenhouden als de eenheid níet werd ingezet. Dit voorjaar ruzieden de oud-bewindsman en de generaals er opnieuw over, in de verhoren voor de parlementaire commissie-Bakker die de Nederlandse deelname aan vredesmissies onderzocht. Wie was nu vóór geweest en wie tegen, en wie had dat wanneer tegen wie gezegd en hoe? Maandag komt de onderzoekscommissie met het eindverslag.

Pieter de Geus, oud-marine-officier, was begin jaren tachtig minister van Defensie. De Haagse hoge militairen, zegt hij, hadden weinig gevoel voor wat er in Nederland leefde. Er werd gedemonstreerd tegen kernwapens. ,,Maar de chef defensiestaf zei nooit iets waar de minister politiek wat mee kon.'' Het geheim van een militaire carrière was volgens De Geus: ouder worden en niet opvallen. ,,En voor zover ik de generaals nu ken, is dat niet veranderd. Het is nog steeds doorsnee.'' De luchtmacht en de marine trainden ook tijdens de Koude Oorlog al met buitenlandse eenheden, die hadden minder moeite met de eis die nu aan militairen wordt gesteld: snel, multinationaal inzetbaar zijn. ,,Alleen de landmacht wil maar niet erkennen dat de Koude Oorlog voorbij is. Die staat, met het Duits-Nederlandse legerkorps, nog steeds klaar voor de slag op de Noord-Duitse laagvlakte.''

Oud-generaal majoor Jan Willem Brinkman werd door Relus Ter Beek een ,,veranderingsgezinde jonge Turk'' genoemd. Ruim voordat politici besloten dat de dienstplicht moest worden afgeschaft, schreef hij er een notitie over. De bevelhebber, generaal Rien Wilmink, was woedend, hoe kón hij het bedenken.

Brinkman was de eerste commandant van de luchtmobiele brigade. De eenheid had geen waterdichte schoenen en jassen. Landmachtmilitairen hadden die, in hun tanks, nooit nodig gehad. Als hij de procedure voor de aanvraag van spullen volgde, had hij de schoenen en jassen na twee jaar. Brinkman bedacht zelf een oplossing. Zijn mannen kochten in het buitenland schoenen en jassen die leken op de Nederlandse, en die werden ook vergoed door Defensie. ,,Ik kreeg er gedonder over met de directie materieel.''

De landmachttop, zeggen oud-collega's nu, vond hem te slim, lastig. Hij kreeg `signalen': bevelhebber zou hij nooit worden.

Brinkman werd in 1996 korpschef van de Rotterdamse politie, hij vertrok er na een conflict met Peper en is nu interimmanager bij Boer & Croon Groep. De landmacht, zegt hij, was tijdens de Koude Oorlog een ,,gesloten, geïsoleerde groep'' geworden. In de jaren negentig veranderde dat nauwelijks. ,,De bureaucratische, weinig ondernemende en meest loyale mensen zijn overgebleven.'' Brinkman hielp de PvdA bij het schrijven van een alternatieve defensienota. Hij bedacht criteria waaraan de nieuwe militaire leider zou moeten voldoen. Hij moet flexibel, intelligent en politiek gevoelig zijn, goed met media kunnen omgaan, maar vooral ook beschikken over internationale, operationele ervaring.

En hebben we die generaals nu in Nederland? Brinkman glimlacht. ,,Ik ken er niet één.''

Marcel Urlings, die hij meemaakte bij de landmachtstaf in Den Haag, noemt hij een ,,ontzettend aardige man. Maar geen echte topman. Hij was stafofficier, hij is me nooit opgevallen wegens zijn leidinggevende capaciteiten.''

De oude generaals dragen de nieuwe voor bij de minister. Die volgt hun advies bijna altijd. ,,Een minister heeft in zijn periode geen zin in gedoe.'' Er zal, denkt Brinkman, pas wat veranderen als er een ramp gebeurt. ,,Van kleurloze, ervaringloze leiders krijg je onheldere instructies. Op het uitvoerende vlak is er niks dodelijker dan dat. Er moet heel veel intellectuele effort worden gestoken in wat een eenheid geacht wordt te doen.''

Srebrenica was volgens Brinkman een voorbeeld van `falend beleid aan de top'. De rol van Dutchbat was onduidelijk. ,,Er werd gezegd dat ze Srebrenica moesten beschermen. Maar die opdracht hadden ze niet, omdat ze dat niet konden met tweehonderd witte voertuigen en posten gericht op waarneming.'' Dat was, denkt hij, de Britten nooit overkomen. ,,Les één van interventies: zeg nooit iets wat je niet kunt waarmaken, anders ga je verschrikkelijk voor schut.''

Ook oud-bevelhebber Wilmink, tot 1996 in actieve dienst, denkt dat de topmilitairen van nu niet zo anders zijn dan die van de Koude Oorlog. Maar hij vindt het ook niet nodig. Militaire leiders moeten scherpzinnig zijn, hun mannen motiveren, verantwoordelijkheid nemen. ,,Wellicht'', zegt hij, ,,is nu een wat grotere flexibiliteit vereist. Het is onvoorspelbaarder geworden. Wij hadden wat meer gelegenheid tot verdieping.''

In 1991, zegt Wilmink, werd het bataljon van Urlings uitgekozen voor de missie in Noord-Irak, omdat Urlings ,,zowel in commando- als in staffuncties gedegen werk afleverde.'' De bevelhebber is nog bij Urlings langs geweest, in Irak. ,,Men was vol lof.'' Die uitzending was ,,voor ons toen nog een leerschool''.

Vice-admiraal Klaver vindt dat het militaire vak na de val van de Muur `ingewikkelder' is geworden. ,,Vroeger was het zo: als je maar precies wist wat er in het Oostblok gebeurde, wist je bijna alles wat je móést weten.'' ,,Nu'', zegt hij, ,,moet je je meer verdiepen in wat er in de wereld gebeurt.'' En `flexibeler' zijn? ,,Ja, toch wel. We hoeven niet meer op korte notice gereed te staan voor de grote klap, voor de Russen die binnenvallen. Er is meer tijd, er zijn meer gradaties van gereedstelling.''

De krijgsmacht is volgens Klaver `bedrijfsmatiger' geworden. ,,We sturen nu convenanten aan. We hebben convenanten met het korps mariniers en de commandant zeemacht. De eenheden zijn resultaatverantwoordelijk, ze worden afgerekend op hun product.'' Klaver denkt dat er nauwelijks nog verschillen zijn met een burgerbedrijf. ,,Nou ja, je moet je mensen weleens op een gevaarlijke missie sturen.''

Of Klaver zichzelf een `nieuw type leider' vindt? ,,Men vindt dat ik dat ben. Ik heb er geen moeite mee dat het nu anders is dan vroeger.'' Het is volgens de vice-admiraal onzin dat de krijgsmachttop niet van eigenzinnige, kritische officieren houdt, en van aankomende leiders aangepast gedrag verwacht. ,,Je kunt binnen de organisatie alles zeggen, ook kritiek wordt geaccepteerd.'' Originele ideeën, eigen inzichten zijn welkom, maar: ,,Driekwart van die zogenaamd nieuwe ideeën heb ik al eens gehoord.'' Klaver vindt: ,,Je moet, voordat je kraait, bekijken wat haalbaar is.'' En hij zegt: ,,Ik heb niet zo'n afwijkende visie op wat er zou moeten gebeuren.''

Commodore De Jong van de luchtmacht vindt dat `de nieuwe generaal' een groot analytisch vermogen moet hebben, hij moet sociaal vaardig en verbaal sterk zijn, dossiers kennen, snel beslissingen nemen. ,,Ik denk wel'', zegt hij, ,,dat ik zo'n leider ben.'' Van zijn baas in Den Haag, en ook van zijn vrouw, hoort De Jong dat hij zijn ,,zachte kant'' wat meer moet ontwikkelen. Ondergeschikten moet hij bijvoorbeeld laten uitpraten, ook al weet hij wat ze gaan zeggen. ,,Daar voelen ze zich beter bij.''

De Jong is niet iemand die in stafvergaderingen vaker dan één keer zijn standpunt naar voren brengt. Maar nu hij commodore is, verdedigt hij dat wel harder. ,,Dat verwacht men van mij, in mijn positie.''

Luitenant-generaal Urlings wil geen antwoord geven op de vraag of hij zichzelf een nieuwe, na-de-Koude-Oorlogse-generaal vindt. Dat moeten anderen maar beoordelen. Hij zegt wel: ,,Ik constateer dat ik me zeer thuisvoel in de omgang met de politiek, en ik vind dat ik goed functioneer in de nieuwe uitdagingen.''

Urlings was, tot hij naar Duitsland verhuisde, lid van de Rotary in Den Haag. Eén avond per week was hij op de club. ,,We dronken een glaasje wijn, we hadden een eenvoudige maaltijd, en daarna waren er lezingen.'' Over de `vermaatschappelijking' van de krijgsmacht bijvoorbeeld, volgens Urlings een belangrijk onderwerp. De landmacht moet `zichtbaar' zijn, en `midden in de samenleving' staan. De krijgsmacht blijft natuurlijk een militair bedrijf, maar de luitenant-generaal vindt het goed dat eisen die aan de burgermaatschappij worden gesteld, nu ook gelden voor militairen. Kinderopvang, werken in deeltijd, milieu- en arboregels – er moet ,,op een goede manier invulling aan worden gegeven.''

Urlings denkt dat de Nederlandse krijgsmacht een `positief imago' heeft. Maar als het bijvoorbeeld gaat over Dutchbat in Srebrenica, zou ,,een stukje inlevingsvermogen'' bij de burgers geen kwaad kunnen. In het tweede gesprek voor dit verhaal leest hij voor uit een brief van de zeventiende-eeuwse admiraal Maarten Tromp. Het `slaan met den vijand', zijn leven wagen – het had Tromp `niet de minste bekommering' gegeven. `Maar al mijn bekommering bestaat daarin, dat, als ik alles dat in mij is ten dienste van het land zal hebben gecontribueerd, dat ik dan, thuiskomende, met subtiele vragen zal worden gemolesteerd'.

Urlings: ,,Ik weet wel: het is de realiteit, onze commandanten moeten beseffen dat ze kritisch worden gevolgd. Maar het mag niet doorslaan naar een situatie waarin ze zodanig worden gechallenged dat ze zeggen: stuur maar een ander.''

Oorlog, zegt hij, is chaos, shit en disaster. Hij vindt dat iedere man of vrouw die militair wil worden, eerst de film Saving private Ryan van Spielberg zou moeten zien, over de landing van de geallieerden in Normandië, in 1945. ,,Heel echt, je ziet de fog of war.''

Commodore De Jong vindt Srebrenica een `goede les'. ,,Let's be honest. Ze zijn naar een safe area gegaan om die te bewaken, maar met onvoldoende troepen. Franse peace keepers bijvoorbeeld zijn veel agressiever, maar die hadden in Bosnië ook veel meer doden en gewonden.'' De Jong vindt dat er in Nederland eindelijk eens over gepraat zou moeten worden: ,,Als je niet voor je eigen land vecht, ben je dan bereid mensen te laten sneuvelen?''

Urlings, Klaver en De Jong hebben het boek van overste Karremans, Srebrenica, who cares? (1998), niet gelezen. ,,Nog geen tijd gehad'', zegt luitenant-kolonel Urlings, die het boek wel heeft gekocht. Vice-admiraal Klaver: ,,Wat Karremans ervan vindt, interesseert me niet.'' Met de mannen van Dutchbat heeft hij `medelijden', niet met hun commandant. ,,Die had invloed uit kunnen oefenen op de situatie.'' Wat hij daarmee bedoelt? ,,Dat wil ik in het midden laten.''

Iedereen die militair wil worden moet de film Saving private Ryan zien

Het moet iets zijn waarvoor ik niet op mijn flikker krijg als ik het vertel