Wees vooral niet zuiver

Onder leiding van Robespierre vierden de Parijse revolutionairen op 8 juni 1794 het Feest van het Opperwezen. Het was het hoogtepunt van de Cultus van de Rede, ingevoerd nadat het christendom was `afgeschaft'. De revolutie was religie geworden en de republiek haar kerk. In de nieuwe orde was alleen plaats voor toegewijde revolutionairen, zuiver volk. Wie tekortschoot in zijn revolutionaire moraal – ketters en afvalligen – stond onder Robespierre één straf te wachten: de doodstraf, voltrokken met de guillotine. In juli 1794 eindigde deze slotfase van de Terreur met de onthoofding van Robespierre zelf.

De opvallende overeenkomst tussen oude religie en moderne ideologie die toen vrijwel onmiddellijk ontstond, wekt tegenwoordig nauwelijks meer verbazing.

De verwantschap tussen religie en moderne ideologie staat centraal in Moral Purity and Persecution in History, het nieuwe boek van de beroemde Amerikaanse socioloog Barrington Moore jr, die aan de wieg stond van het vergelijkende onderzoek naar revoluties. In deze beknopte studie biedt de 87-jarige socioloog een nieuwe interpretatie van het thema dat hem nu al ruim een halve eeuw bezighoudt. Het gaat hem om de vraag naar de sociale oorsprong van strijd en onderdrukking. Klassiek is zijn omvangrijke Social Origins of Dictatorship and Democracy (1967), een schoolvoorbeeld van de vergelijkende historische sociologie. Totalitair geweld werd daarin gezien als het gevolg van structurele sociale spanningen, opgeroepen door snelle modernisering.

Moral Purity and Persecution in History gaat over de religieuze wortels van het extreme geweld dat revolutionaire ideologieën ontketenen. Moore beschouwt de Franse Revolutie daarbij juist niet als opmaat naar een twintigste-eeuwse politieke praktijk, maar interpreteert het hardvochtige optreden van Robespierre's Jacobijnen opmerkelijk genoeg in het licht van de geschiedenis van het monotheïsme, beginnend bij het oude jodendom. De erfenis van die traditie, betoogt hij zelfs, was een indirecte maar onmisbare factor in het ontstaan van ideologieën als nazisme en stalinisme. De verbindende schakel vindt hij in het idee `morele zuiverheid'. Zuiverheid is een door antropologen gehanteerde categorie die sinds kort ook door de geschiedwetenschappen waart. In 1994 betoogde de Maastrichtse historicus Arnold Labrie dat `het verlangen naar zuiverheid' karakteristiek was voor de Duitse cultuur vanaf begin negentiende eeuw. In de bundel De hang naar zuiverheid (1998) toonde hij met andere historici aan, dat zuiverheidsidealen vanaf 1850 in West-Europa opgeld deden als onderdeel van nationalistische en racistische, maar ook van sociologische en medische overtuigingen.

De wijze waarop Barrington Moore het begrip in dit boekje hanteert, stelt echter teleur. Moore's boude stellingen vereisen meer toelichting dan hij in dit essay bereid is – of, zoals hij zelf zegt, gezien zijn hoge leeftijd in staat was – te geven. Het gaat hem om `morele' zuiverheid zoals die in de joods-christelijke traditie werd opgevat. De god van het Oude Testament verlangde volgens Moore zuiver geloof en de uitbanning van alles wat onzuiver was. Vooral dat laatste, het vernietigen van het onzuivere, heeft de belangstelling van Moore, die op zoek is naar de mogelijke sociale effecten van het zuiverheidsideaal. Het Oude Testament, stelt Moore, leverde het Westen zijn ethische blauwdruk, nog vóór de nieuw-testamentische boodschap van naastenliefde en verzoening. De absolute zuiverheidsmoraal bleek in de geschiedenis een vrijbrief voor geweld.

Zo werd geweld religieus gelegitimeerd. De onzuivere was een mindere mens, die zonder wroeging kon worden verjaagd of gedood. Vooral in tijden van crisis, op momenten waarop zich de vraag voordeed of de groep zou overleven, stak dit moorddadige mechanisme de kop op. Moore illustreert dat met de halfmythische geschiedenis van de Hebreeën ten tijde van hun vestiging in Palestina, omgeven door als onzuiver ervaren polytheïstische gemeenschappen, en aan de hand van de zestiende-eeuwse godsdienstoorlogen en de Franse Revolutie. Eind achttiende eeuw was het zuiverheidsideaal een seculier verlangen geworden, maar de gevolgen van de religieuze oorsprong, te weten het persoonlijk schuldgevoel bij tekortschieten en de niets ontziende gedragsimperatief, bleven.

Moore's theses zijn interessant maar veel te groot voor dit boekje. In hun beknoptheid zijn ze ongenuanceerd. Ze zijn zelfs gevaarlijk: Moore dreigt voedsel te geven aan rechts-conservatieve opvattingen die hemzelf vreemd zijn. Hij neigt naar blaming the victim, op een wijze die ook bij de Duitse historicus Ernst Nolte te vinden is, die in Historische Existenz (1999) een verband legde tussen de joodse annexatie van Palestina en de latere Europese moordpraktijken.

Godsdiensten, ook de monotheïstische, hebben zoveel andere, niet-gewelddadige sociale effecten. En politieke ideologieën op hun beurt hebben ook een positieve, mobiliserende functie. Moore's bekentenis dat hij de Islam wegliet omdat hij er te weinig van weet, is op zichzelf ontwapenend. Maar dan nog: op deze manier met zevenmijlslaarzen door drie millennia heenstappen, in twintig pagina's een vergelijking maken met drie Aziatische godsdiensten, en dan ook nog roepen dat er zo precies mogelijk naar de historische context moet worden gekeken, dat is allemaal overhaast. Slechts de evidente ontgoocheling over het gebrek aan effect van zijn intellectuele strijd tegen politiek-religieus fanatisme – samen met zijn generatiegenoten als Popper, Arendt en Berlin – rechtvaardigt deze uitgave. Moore ziet het overal weer opdoemen: nationalisme, moslim-fanatisme en christelijk fundamentalisme. Nog één keer heeft hij willen waarschuwen. Maar wel op een vreemde manier.

Barrington Moore, jr.: Moral Purity and Persecution in History. Princeton University Press,

xvi + 158 blz. ƒ57,85

Politiek en moraal