`Ter Braak was voor mij een enorme bevrijding'

Willem Otterspeer noemt W.F. Hermans `de grootste schrijver van de twintigste eeuw', maar toen hij Menno ter Braak las, wist hij dat hij zich nooit meer zou vervelen.

Aan het Leidse Rapenburg, waar de universiteit van de stad zetelt, heeft Willem Otterspeer de beschikking over een hele reeks voormalige dienstbodenvertrekken, vol met archieven. Als bijzonder hoogleraar universiteitsgeschiedenis werkt de veelgeprezen biograaf van de Leidse filosoof Bolland de komende jaren verder aan zijn geschiedenis van de Leidse universiteit, waarvan onlangs het eerste deel verscheen. Bovendien begint Otterspeer in oktober aan de biografie van de man die hij beschouwt als `de grootste schrijver van de twintigste eeuw': Willem Frederik Hermans.

Hermans mag dan in grote mate Otterspeers wereldbeeld gevormd hebben, tot Menno ter Braak (1902-1940) raakte hij eerder bekeerd. ``Het was echt zo'n methodistische bekering'', zegt hij, nauwkeurig formulerend. ``Ik weet het nog precies. Het was winter. Ik zat in de tweede klas van de middelbare school en ik had nieuwe boeken gekregen. Ik was onderweg van school naar huis, met de bus, met beslagen ramen en vol stinkende mensen met doornatte regenjassen. Ik ging wat zitten bladeren in de bloemlezing Nederlandse literatuur. Opeens werd ik zo gepakt door een stukje proza, dat ik niet meer ophield met lezen. Het was een stukje uit Het carnaval der burgers van Menno ter Braak, van wie ik nog nooit gehoord had. Het ging over een meneer die 's morgens, na zijn toilet gedaan te hebben en na gegeten te hebben, naar buiten gaat, een sigaret pakt en in zijn zak tast naar een luciferdoosje. Het doosje is leeg en hij zinkt erin weg – een vreemde breuk in zijn dag. Hij beleeft de schoonheid in de volledige leegheid, de volledige zinledigheid. Ik vond het zulk uitzonderlijk proza en zo'n uitzonderlijke observatie, dat ik meteen bekeerd was.''

In eerste instantie werd de jonge Otterspeer gegrepen door de stijl. ``Op de middelbare school heb ik jarenlang dat Ter Brakiaanse proza gesproken – heel bijzonder, heel bewerkelijk en ook datgene waar je het eerst vanaf raakt. Ter Braak staat bekend om zijn eigen vocabulaire en de Ter Brakianen gebruikten niets anders dan die handwoorden, zoals `vriendschap', `elite' of `ressentiment'. Dat eeuwige tussen haakjes zetten, met puntjes werken, dat is het eerste wat je gaat irriteren.'' Ook was er dat bijzondere gebruik van de paradox: ``Alles werd door Ter Braak omgekeerd, om beweging te krijgen. Dat is natuurlijk waar het hem in de kunst om te doen was: het eeuwige doorbreken van bestaande, verzilte, versteende dingen. Die wilde hij kapot maken, in plaats daarvan ruimte scheppen.''

Er was nog een andere, niet-stylistische reden waarom het stukje proza uit de bloemlezing Otterspeer toen zo raakte. ``Ik wist heel precies wat hij met dat luciferdoosje bedoelde. Ik weet nog heel goed dat ik als klein kind, in een overdonderende zon, op een pleintje in mijn dorp, voor de rode deur van de brandweer zat. Ik zat met mijn handjes op het plaveisel en voelde mij wegzakken – in het plaveisel. Dat volstrekte verlies van identiteit, dat mij daarna in verwarring naar mijn moeder deed rennen en in huilen deed uitbarsten tegen haar natte schort – ze was aan de was –, heb ik altijd nadrukkelijk geassocieerd met de werking van kunst. Kunst doet geen boodschappen, kunst is niet per definitie een vrijplaats voor het kwaad, het is geen aparte vorm van kennis – al die definities die in zekere zin valide zijn, gaan voor mij minder op. Kunst is het zwarte gat. Dat vond ik daar door een echte meneer, ééntje die het weten kon, netjes voor mij uiteengezet. Ik ben opgegroeid in een heel liefdevol, maar cultuurloos milieu. Er was niks om te lezen, ja, de leesmap. 's Zondags kon je kiezen tussen de kerkgang en masturberen of zoiets dergelijks. Dat was werkelijk het enige wat er te doen was in zo'n dorp. In die zin was Ter Braak een enorme bevrijding. Vanaf dat moment wist ik zeker dat ik me nooit meer zou vervelen.''

In Het carnaval der burgers, Ter Braaks eerste grote essay, uit 1930, stelt hij `de dichter' tegenover `de burger', die in zijn ogen `de gevallen dichter' is, in wie het leven is verstard. ``Uiteindelijk, zegt Ter Braak, is alles verburgerlijkt, alles is de aswoensdag van het bestaan. Een burger is iemand die de dingen overzichtelijk wil houden, structuur wil hebben. Hij wil de dingen bezitten, dus ook de schoonheid – het verhevene, het hogere – is iets wat je in je zak kunt stoppen. Maar de kunstenaar heeft daar evenzeer last van. Als je Ter Braak leest, dan weet je dat de troost die Wim Kayzer zoekt, burgerlijk is; dan weet je dat het museumbeleid van Rudi Fuchs burgerlijk is. Het is heel moeilijk om dat niet te zijn, door die alomtegenwoordigheid van die burgerlijke waarden. Het gaat om die tegenstelling van burger en kunstenaar en tegelijkertijd om de identificatie van die twee. Wie de kunstenaar wil begrijpen, moet de burger bestuderen en omgekeerd. Dat is Ter Braaks conclusie.''

Paradoxaal genoeg koos Otterspeer, de Ter Brakiaanse gymnasiast, voor een studie geschiedenis – een wetenschap die Ter Braak juist had afgezworen. ``Voor Ter Braak was het een burgerlijke vorm van kennis, een zoeken naar zekerheden, waar hij geen behoefte meer aan had. Later, tijdens mijn studententijd, heb ik essays en verhalen geschreven. Toen heb ik echt moeten kiezen. Was het geschiedenis of kunst? Kon geschiedenis ook een kunstvorm zijn? Wat mij altijd heeft geërgerd is dat geschiedenis een vleugellamme wetenschap is geworden, die zijn kritisch potentieel is kwijtgeraakt. Dat zou het kunnen herwinnen door, net als in de negentiende eeuw, een volstrekte concurrent van de roman te worden. Met mijn biografie van Bolland heb ik geprobeerd de grens tussen literatuur en geschiedenis uit te wissen. Ik dacht dat dat een weg was die ik zou vervolgen. Nu ik bezig ben met een groot boek over de universiteit, merk ik dat dat zijn beperkingen heeft; dat ik als het erop aan komt, als ik echt moet kiezen in het stramien van Ter Braak – burger of kunstenaar – uiteindelijk een burger ben. Ik ben er niet op uit al die bouwsels voortdurend kapot te maken. Ik denk dat de functie van de geschiedenis, net als de functie van de universiteit, bestaat in het samenhouden van mensen en van dingen die de maatschappij vormen. Dat betekent dan toch dat je de kunst als een compartiment gaat beschouwen, dat je de kunst verburgerlijkt, in de termen van Ter Braak. Maar dat vind ik niet erg.''

Menno Ter Braak: Het carnaval der burgers.

G.A. van Oorschot. Uitverkocht.