Naar Colombia

OP DE VALREEP van zijn presidentschap heeft Bill Clinton Amerika's historische achtertuin, Latijns Amerika, met een bezoek vereerd. Zijn visite aan Colombia, waar hij een cheque van 1,3 miljard dollar voor het opvoeren van de drugsoorlog overhandigde, was niet helemaal een novum. Mexico neemt door NAFTA op financieel en handelsgebied een belangrijke plaats in de Amerikaanse politiek in. Panama is dankzij het Panamakanaal in Washington nooit helemaal uit de gedachten. Cuba blijft een doorn in het vlees. Maar van een coherent beleid voor het hele zuidelijke deel van het Amerikaanse continent is het in de twee ambtstermijnen van Clinton niet gekomen.

De vraag of de hulp aan de regering-Pastrana in Colombia met geld, wapens en adviseurs een nieuw tijdperk inluidt, valt moeilijk te beantwoorden. Zeker is dat Amerika's binnenlandse drugsprobleem de belangrijkste reden was voor Clintons late ingreep. In Colombia huizen de voornaamste toeleveranciers aan de Amerikaanse markt voor verboden middelen. De hardhandige `war on drugs' die Washington in eigen land tegen handelaars èn gebruikers voert, levert onvoldoende resultaat op. Vandaar dat men nu wil proberen het kwaad aan de bron aan te pakken.

MAAR ZIJNS ONDANKS dreigt Clinton hier zijn opvolger met een politiek moeras op te zadelen. De verwevenheid van de drugshandel met de chronische, marxistische guerrillastrijders die sinds decennia Colombia teisteren, en de schending van de rechten van de mens ook door militairen en paramilitairen in dat land, betekenen zonder meer een complicatie voor de onderneming. Buurlanden als Brazilië en Peru vrezen bovendien dat een escalerend conflict naar hun grondgebied zal overslaan. De verschillende guerrillabewegingen beheersen ongeveer de helft van het Colombiaanse grondgebied. Zou de Amerikaanse hulp het, tot dusver weinig succesvolle, regeringsleger inderdaad in staat stellen die bewegingen terug te dringen dan valt een uitzaaiing van het geweld en van een vluchtende bevolking over de grenzen heen te verwachten.

Naar het zich laat aanzien heeft de Amerikaanse regering zich niet ingespannen om de Latijns-Amerikaanse landen bij haar ingreep in Colombia te betrekken. Historisch zijn de Latino's gewend aan eigenmachtig optreden van de noordelijke buur in hun regio. Maar dat betekent niet dat zij hun ergernis daarover zullen onderdrukken. Juist nu die landen hun onderlinge samenwerking proberen te versterken, zou een invitatie om bij de oplossing van de endemische problemen van Colombia te worden betrokken, voor de hand hebben gelegen. Ten slotte raakt de anarchie in dat land ook hen – ook zonder een Amerikaanse interventie.

DE VERGELIJKING met de Vietnamoorlog uit de jaren zestig en zeventig is al gemaakt. Vooralsnog lijkt deze parallel overtrokken. Anders dan de Vietcong destijds in Zuid-Vietnam zijn de guerrillastrijders bij de Colombianen allesbehalve populair. Onder de eigen bevolking voeren zij een waar schrikbewind. Met drugshandel en met het losgeld verkregen uit ontvoeringen financieren zij hun wapens. Hun ideologie, voorzover aanwezig, is aftands en biedt geen soelaas voor Colombia's sociaal-economische problemen.

Clinton heeft verzekerd dat er geen Amerikaanse soldaten in een gevechtsrol zullen worden ingezet en dat er van een afglijden zoals in Vietnam geen sprake zal zijn. Daar zal het Congres, hoe loyaal het de bemoeienis met Colombia nu ook steunt, de nieuwe president straks zeker aan willen houden. In zoverre zijn de ervaringen, opgedaan in Indo-China, in het Amerika van vandaag niet vergeten. Maar dat laat onverlet dat de problemen van Colombia niet uitsluitend met militaire middelen zijn op te lossen. Van de regering-Clinton had voor de politieke en sociaal-economische aspecten van haar ingreep meer aandacht mogen worden verwacht.