Moord als bevrijding

Dat een mens een voor- en een achterkant heeft, dat wist ik natuurlijk wel, maar ik had er nooit zo bij stilgestaan. En al helemaal niet bij de gedachte dat die voor- en die achterkant ook de verschillende, zedelijke kanten van de mensen zouden kunnen verbeelden. Gerrit Krol wijst erop in zijn roman De vitalist, en verbindt er de begrippen goed en slecht aan. Zijn schema is van een aantrekkelijke, alledaagse eenvoud, dat zich meteen in je hoofd vestigt als beeld. `De mens is goed, maar hij is slecht', zo peinst zijn hoofdpersoon, wiens gedachtegoed nogal lijkt op dat van zijn schepper. `Hij is goed van voren en hij is slecht van achteren. Daarom heeft hij, anders dan de paardebloem, of het paard, een voorkant en een achterkant. En de voorkant laat hij zien en de achterkant laat hij niet zien.'

Om die achterkant, die niet getoond wordt, is het Krol vooral te doen in De vitalist. Niet zozeer om er een zedenpreek over af te steken, maar om zijn uiteenlopende gedachten te laten gaan over goed en kwaad, leven en dood, misdaad en straf, schuld en boete. Hij doet dat op de bekende laconieke toon en de bekende nuchtere wijze: niet hoogdravend, maar aards, concreet, prikkelend en amusant, in korte, spreektalige zinnen met tussendoor veel adem- en denkpauzes. Als een van zijn romanpersonages op oudejaarsavond wordt gevraagd wat hij verlangt van het nieuwe jaar, dan antwoordt hij dat hij iets groots zou willen uitvinden, zoals `gefaseerde fotosynthese bij kamertemperatuur'. Maar, zo voegt hij er droogjes aan toe: `een mooie reis naar Italië met minder regen dan de vorige keer mag ook.'

Doodstraf

Alles heeft Krol eraan gedaan om het zwaarwichtige thema: hoe gaat de mens om met zijn achterkant, zo licht mogelijk te behandelen. Hij koos daarvoor een vorm die `roman' wordt genoemd, maar die een intrigerend midden houdt tussen verhaal, journalistieke reportage, ooggetuigeverslag, soap, essay, toneelstuk en procesverbaal. Je zou dit losvaste geheel ook kunnen zien als een verhalende herneming van de bespiegeling die hij in 1990 schreef over de doodstraf, Voor wie kwaad wil, die indertijd de nodige bevreemding wekte omdat hij tot de voorstanders van de doodstraf bleek te behoren.

Het is duidelijk dat hij in De vitalist geen afstand heeft genomen van dit standpunt, al richt hij zich deze keer meer op de tegenstanders van de doodstraf. Die worden van sadisme beschuldigd en trouwens ook van moord, omdat zij de veroordeelde juist helemaal niet willen sparen, maar hem zo lang mogelijk, liefst levenslang, willen laten boeten voor zijn misstap. `Iemand die gestraft wordt met levenslange opsluiting – zo iemand sterft dagelijks.'

Over zo'n soort boeteling gaat het in De vitalist. Johan, hoogleraar wiskunde aan de Leidse universiteit, is een slim, maar ook nogal onhandig type. Hij is heer en meester over de wereld van de getallen, maar van de wereld van de mensen, `de anderen', zoals hij ze noemt, begrijpt hij eigenlijk niets. Hij weet niet wat er van hem wordt verwacht, of wat hij geacht wordt te willen van het leven. Hij wordt, met al zijn geleerdheid, niet helemaal voor vol aangezien door zijn vrouw Roetie en door de twee stellen met wie ze bevriend zijn. Hij weet niet wie of wat hij is en moet dat steeds bij de anderen navragen. Een van de meest komische dialogen in het boek is wel deze tussen hem en Roetie. Op zijn vraag of hij een warme persoonlijkheid is, krijgt hij een duidelijk antwoord: `Het spijt me dat ik je moet teleurstellen', zegt zij, `maar je bent geen warme persoonlijkheid.'

Het is door een samenloop van omstandigheden dat deze onthechte professor een moord pleegt. Hij krijgt onverwacht bezoek van Barbara, de helft van een van de stellen, die eigenlijk Roetie had willen spreken. Ze komt toch maar even binnen en kan vervolgens, als een echte Krol-vrouw, niet de verleiding weerstaan om hem het hoofd op hol te brengen. Eerst lokt ze hem met flirterig gedrag uit zijn tent. Daarna wil ze hem erin terugjagen, met een pesterige opmerking die hem ernstig beledigt. Zij maakt hem uit voor `mietje' en dat neemt hij niet. Hij troont haar mee naar het schuurtje, waar hij haar vermoordt en verkracht. Daarna deponeert hij haar in de regenput naast zijn huis. Zo expliciet als ik het hier beschrijf, staat het er in werkelijkheid niet. Je zou het zelfs een belediging voor de roman kunnen noemen, deze `samenvatting' die eerder een uitbreiding is. Want de moord is op onnavolgbare wijze in het verhaal opgenomen, zo tersluiks en gewiekst dat pas veel later de volle omvang van het drama duidelijk wordt.

Bevrijding

Berouw voelt de dader niet over zijn misdrijf. Integendeel: hij ziet het als een bevrijding en geniet nu pas met volle teugen van het leven. Barbara heeft hem iets gegeven dat hij daarvoor niet bezat: een besef van mannelijkheid, wezenlijk voor het Krol-personage, dat zij helaas met haar dood heeft moeten bekopen. Het enige waarmee hij worstelt is met `de aangifte'. Hij wil zijn daad niet verzwijgen voor de anderen, maar vindt maar steeds geen gelegenheid om het over de verdwenen Barbara te hebben. Dat haar onopgehelderde afwezigheid niet wordt betreurd, zelfs niet door haar vriend, zegt intussen wel het een en ander over de onderlinge betrekkingen, die gekenmerkt worden door ontrouw en gebrek aan solidariteit. Pas als haar lijk, ook weer door toeval, in de regenput wordt gevonden, en Johan tot vijftien jaar gevangenisstraf is veroordeeld, raken de vrienden in rep en roer. Zij beschouwen hem niet langer als een van hen, ook niet nadat hij wegens gebrek aan bewijs na een korte gevangenisstraf alsnog wordt vrijgesproken. Net als Maurits, in Maurits en de feiten (1986), die ook werd vrijgesproken, voltrekt Johan uiteindelijk de doodstraf aan zichzelf, omdat er voor hem niet te leven valt met `levenslang', ook al is dat niet uitgesproken door de rechtbank, maar door wat je de publieke opinie zou kunnen noemen.

De interessante vraag die Krol oproept is of Johan een grotere deugniet is dan zijn vrienden, die andere dingen op hun kerfstok hebben. Is iemand met een moord op zijn geweten slechter dan iemand die stiekem overspel pleegt, die steelt, liegt, bedriegt, zich mooier voordoet dan hij is en die een ander lelijke dingen toewenst? Hoe het antwoord op deze vraag in het algemeen ook mag luiden, in de roman gaat de sympathie uit naar Johan, die op een bepaalde manier zijn onschuld heeft weten te bewaren. Hij was altijd al raar, vanwege zijn tegendraadse opvattingen, maar is nu helemaal van God los. Dat laatste alleen bij wijze van spreken, want hij verdiept zich juist nogal in God. Ik neem aan dat hij daarmee de God in het diepst van zijn gedachten bedoelt, die hij Nederik noemt, en met wie hij verhelderende gesprekken voert over leven en dood. Zo groeit hij langzaam toe naar een leven na de dood, waarin hij Barbara terug hoopt te zien, en waarin hem al regelmatig mooie inkijkjes geboden worden.

Of er voor ongelovigen ook hoop bestaat op zo'n aantrekkelijk hiernamaals zou ik niet durven zeggen. Misschien is zo'n bonus alleen voorbehouden aan de ware vitalist, die niet alleen inzicht heeft in voor- en achterkanten, maar ook haarfijn aanvoelt wanneer er op zijn aanwezigheid in het aardse leven geen prijs meer wordt gesteld.

Gerrit Krol: De vitalist.

Querido. 136 blz. ƒ29,90

Nederlandse literatuur