Mensen zijn prutserige bouwpakketten

De gedichten van Rob Schouten maken je niet vrolijk. Zijn wereldbeeld is dat van een miltziek man; berusting lijkt het hoogste goed. Bij de Schepping, betoogt hij, was het al `bereshit', en een gebruiksaanwijzing voor het menselijk bestaan ontbreekt. `Zonder gebruiksaanwijzing' ook scheppen we zelf maar voort:

De avond dat we in elkaar werden gezet

zonder te weten hoe het moest,

voorzichtig

wat onderdelen uitgepakt en wat niet

paste

weggelegd voor straks,

dat het zo telkens ging, iets dat steeds

weer langzaam bij elkaar gehouden

raakte.

Zo zo. Maar er zaten grijpgrage

ledematen

bij, die het op eigen houtje konden.

Het nóg volmaakter prutsen. En wij

keken

bij gebrek aan een gebruiksaanwijzing

toe.

Voor we het wisten zaten we in elkaar:

bange vermoedens dat het blijven moest.

Bij eerste lezing lijkt het of dit gedicht onze eigen schepping beschrijft, maar het is onderdeel van de cyclus `Vrouwendienst' (een knipoog naar Vestdijks bundel uit 1934), en gaat dus over liefde. Anders dan het woordenboek beweert is die vrouwendienst bij Schouten geen hoofse affaire, want zeker niet zonder aanspraak op vervulling. De woordkeus in sommige van zijn amoureuze verzen is ook weinig hoofs, getuige termen als `derdewereldpruim', `avondstijve' en `beaver-shot'. Maar zoveel wisten we al na lezing van zijn eerste zeven bundels: voor subtiliteiten moet je niet bij Schouten wezen. Wie toegeeft aan dit vooroordeel, doet de dichter en zichzelf tekort. `Vers' en `Ritratto di Helga' zijn poëtische hoogtepunten in de `Vrouwendienst'-reeks. Zonder vloeken, en zonder snikken ook, schetsen die verzen de melancholie van voorbije liefdes. Dat veelt geen bargoens, noch cerebrale orakelspreuken. Net als in `Zonder gebruiksaanwijzing' formuleert Schouten hier dan ook zonder poespas, in alledaagse taal en op alledaagse toon.

`Vrouwendienst' is de centrale cyclus in Infauste dienstprognose. Twee reeksen gaan eraan vooraf, twee andere volgen. Elk van de vijf afdelingen geeft op eigen wijze invulling aan de vreemde titel van de bundel. In strikte zin verwijst die naar de S 5-verklaring, waarmee menig generatiegenoot van Schouten aan de dienstplicht ontkwam. Al dan niet geveinsde instabiliteit was goed voor zo'n gekkenbriefje – maar Infauste dienstprognose verwijst niet alleen naar de militaire-dienstkeuring. Schouten uit zijn sombere prognose ook in een elftal intrigerende `Zelfportretten' en in een profaan kwartet over de `School met de bijbel'. Zijn achttal over de liefde (ook een dienstplicht) is evenmin rooskleurig, en hetzelfde geldt voor de twee laatste reeksen in de bundel.

De vierde cyclus is geen eigen werk. `Kwellingen, genietingen' bundelt zes gedichten naar John Berryman. Deze Amerikaanse dichter was een uitgesproken exponent van de `Middle Generation' waartoe ook Randall Jarrell, Robert Lowell, Theodore Roethke en Delmore Schwartz werden gerekend. Geen gelukkige generatie, want de meeste van deze dichters werden vroeg geveld. Ook Berryman had een infaust bestaan. Na jaren van alcoholisme en relationeel geweld sprong hij, achtenvijftig jaar oud, van de Washington Avenue Bridge in St. Paul, de zusterstad van Minneapolis. Als writer-in-residence maakte Rob Schouten aan de universiteit in die stad kennis met het werk en de biografie van deze zwartgallige vakgenoot, en vanaf 1987 publiceerde hij vertalingen van zijn poëzie.

Herkenning en misschien ook een gevoel van lotsverbondenheid zullen daarbij zijn drijfveer zijn geweest, maar meer dan de eerdere vertalingen toont het zestal `Kwellingen, genietingen' hoe naadloos Schoutens eigen poëzie en de `Dream Songs' van Berryman op elkaar aansluiten. En wie mocht denken dat dit schijn is, omdat Schoutens bewerking Berryman misschien naar eigen hand zette, moet de reeks maar eens vergelijken met de originelen (helaas niet aangegeven in Infauste dienstprognose, maar het betreft de Dream Songs 15, 256, 258, 327, 350 en 361). Dan blijkt dat Schouten trouw bleef aan de meester, en daarin toont hij zijn eigen meesterschap.

Terloopse poëticale ontboezemingen, her en der in de bundel, krijgen een apotheose in de openhartige slotcyclus `Laat twintigste-eeuws'. En dan vooral in `Mysticus loquax', waarin Schouten zijn dichtersloopbaan opportunistisch belicht:

Ik prepostmodernist, schraal was de

moederborst

maar ik was onder u en hebt u mij gezien?

Ik deed maar wat en zie: voortreffelijk

gestroomd,

precies de gaten in van het luchtledige

tot het ook daar begon te kerken en het

werd tijd

mijn priesterschap eraan te geven en te

roken

zoals mijn schoorsteen, van het zozeer

veelvuldige

waarin ik mij bijtijds wist: mysticus lo

quax.

Aanschouw dan ook het werkelijk

verbluffende

gebrek aan idealen, troost, inzicht

en liefde.

Onze gedichten worden als bouwpakket

geleverd,

dat scheelt ons inspiratie en u nodeloos

begrip:

van het zuidwesten uit neemt de

bevolking toe.

Niet alleen de mens is een prutserig bouwpakket – aldus dit vers; de poëzie doet er niet voor onder. Dus is de dichter weinig meer dan een babbelziek orakel. Met dit gedicht, hoe virtuoos ook, kleineert Rob Schouten ten onrechte zijn vakmanschap. Infauste dienstprognose biedt geen makkelijke poëzie, maar van een schrijver die onmakkelijk naar het leven kijkt kan je niet anders verwachten. Mij noodde deze nieuwe bundel tot herlezing van zijn eerdere werk. En dat is een aanbeveling.

Rob Schouten: Infauste dienstprognose.

De Arbeiderspers, 62 blz. ƒ29,95

Nederlandse literatuur