Het wereldraadsel in de Duitse bergen

HINTERZARTEN In het uiterste zuidwesten van Duitsland, zo'n vijftig kilometer ten oosten van Freiburg im Breisgau, ligt in een gat in de bergen Hinterzarten. Een kurort.

Iedere twee jaar brengt mijn moeder een zomer in Hinterzarten door om te genezen van het ongeneeslijke, wat dus wel het leven zelf moet zijn. Of iets wat daarop lijkt.

De zomers van mijn jeugd bracht ik in Hinterzarten door, want ook toen al was er veel dat moest genezen. Ik zei wel dat ik naar Italië was geweest, of Frankrijk of Zwitserland. Maar dat was niet waar. Het was Hinterzarten en omgeving. Ik was een fanatiek wandelaar. 's Avonds lag ik op de grond gebogen over wandelkaarten.

Ik organiseerde dagmarsen voor mijn familie en de dorpen die wij lopend hadden bereikt, streepte ik met een voldaan gevoel van mijn lijstje. Mijn moeder bleef vaak staan om bosbessen te plukken, want plukken was haar lust en haar leven. Met de wandelkaart in mijn hand riep ik: `Sneller, sneller, we moeten voor vier uur in Todtnau zijn'.

Wat mij toen bezielde, weet ik niet. Maar ik weet nog steeds niet wat mij bezielt, dus ook dat is niets nieuws.

Nu keerde ik terug naar Hinterzarten om mijn moeder te bezoeken. In de Duitse bergen drukt de eenzaamheid nog zwaarder op de mens dan in de stad. Op het kleine station van Hinterzarten stond mijn moeder op mij te wachten. Zij droeg een grijze jas met gele voering die ik vijftien jaar geleden had gedragen. Langzaam waren de kleuren verworden tot één grijs-gele massa. Ook had ze een rode rugzak bij zich die mijn zus nog mee op schoolreis had genomen.

Behalve ik waren voornamelijk bejaarden uit de trein gestapt. In Hinterzarten zocht je rust van de onmogelijke genezing.

,,Nou'', zei ze, ,,ik dacht dat je in deze trein ook niet zou zitten.''

,,Ik had toch gezegd dat ik de trein van kwart over vijf zou nemen.''

,,Al meer dan een uur sta ik hier op het station.''

Ik omhelsde haar.

,,Blijf hier even op me wachten'', zei ze. ,,want straks is de Edeka dicht en ik wil nog perziken kopen.''

Ze plantte me neer op een bankje voor hotel Schwarzwaldhof.

Ik herkende alles.

Mijn moeder woonde, net als alle andere jaren, in Gästehaus E. Aan de rand van het dorp, op een berg. Aangezien taxi's zonde van het geld zijn, beklommen wij de berg met mijn koffers en twee kilo perziken.

Gästehaus E. wordt gedreven door mevrouw E. In de prospectus staat dat er negen bedden zijn, maar het zijn er elf. Twee bedden zijn zwart.

Mevrouw E. is achter in de zeventig, beweert ze, en tijdens het ontbijt houdt ze toespraken.

Niets ontsnapt aan haar aandacht. ,,Is de kwark niet naar uw zin, meneer Grunberg?'' vraagt ze, ,,of eet u helemaal geen kwark? Dan zet ik het morgen niet meer op tafel, dat is zonde.''

Mevrouw E. lijdt aan reuma. Soms zijn haar pijnen ondraaglijk. Maar ze houdt het pension, omdat de gasten haar afleiden van de pijn. In theorie is het een aardige gedachte niet alleen gast te zijn, maar ook pijnafleider, in de praktijk werkt dat natuurlijk anders. Mevrouw E. begroette mij met de woorden: ,,Ah, daar is het beste paard uit de stal''.

Onder het toeziend oog van mijn moeder drukte het beste paard uit de stal mevrouw E. de hand. Met enige moeite sleepte ik mijn koffer de twee trappen op.

,,Wat een onpraktische koffer'', zei mevrouw E.

Ik glimlachte.

Ze liet me de kamer zien. Spartaans ingericht, maar toch van de meest noodzakelijke gemakken voorzien.

,,Zo'', zei mevrouw E., ,,nu laat ik u met uw noodlot alleen.''

Met die zin had ze ons tien jaar geleden ook al alleen gelaten, en vijftien jaar. Met die zin liet ze al vanaf 1970 haar gasten alleen.

Ik hing mijn kleren op. Mevrouw E. hield niet van rotzooi.

Het had geregend. De bergen waren aan het zicht onttrokken door nevel. Op het balkon rook het naar nat hout, zoals altijd.

Alle casino's, luxe hotels, massagesalons en literaire festivals waren uitstapjes geweest, besefte ik, en sloot mijn koffer. Geen onbelangrijke uitstapjes, maar toch uitstapjes. Als ik al een noodlot had, was het hier te vinden.

Ik klopte op de deur van mijn moeder.

Ze was bezig de perziken op te bergen.

In haar klerenkast waren meer etenswaren te vinden dan kleren.

,,Ik verstop de perziken maar een beetje'', zei ze, ,,want mevrouw E. vindt het vast niet prettig dat ik haar klerenkast als koelkast gebruik.''

Ik zag boterhammen, boter, servetten, tomaten, kaas, een broek, een half broodje, twee gekookte aardappelen, kwark, een hemd, plastic bestek, een dompelaar, nog een huwelijkscadeau, waarmee ze 's nachts stiekem thee zette. In mijn ogen een levensgevaarlijk ding, zeer geschikt om iemand mee te vermoorden.

Behalve de echtgenoot van Iris Murdoch ben ik nog nooit iemand tegengekomen die zo systematisch hotels, cafés en restaurants bestal als mijn moeder. Let wel, kleine onschuldige diefstallen. Een lepeltje hier, een paar zakjes suiker daar, wat servetten, aardappelen die ook koud heel lekker zijn.

Als wij op vakantie waren, aten wij uit de klerenkast. Dat vond mijn moeder gezellig. Diep in haar hart is ze een ondeugend meisje. Maar dat zijn overwegingen achteraf. Als kind vraag je je voornamelijk af waarom het wereldraadsel uitgerekend de gedaante van je eigen moeder moest aannemen.

,,Je ziet er goed uit'', zei ik toen alle etenswaren succesvol waren verstopt, ,,is mevrouw E. aardig voor je?''

,,Oh ja, alleen begint ze er iedere ochtend over dat ik naar het klokkenmuseum in Fürtwangen moet.''

Mevrouw E. had vele stokpaardjes. Het klokkenmuseum in Fürtwangen was er een van. ,,Ik ben blij dat ik leef'', ging mijn moeder verder, ,,ik hoef niet naar musea, ik wil alleen maar van de lucht snuiven.''

Ze opende het raam en snoof van de lucht.

Die nacht werd ik om twee uur wakker. In de kamer naast mij sliepen twee Zwitserse heren. Zij waren net thuisgekomen en hadden plezier. Ik wilde me alweer omdraaien toen ik een luid gebons hoorde.

Ik deed een trui aan en ging de gang op.

De deur van mijn moeder was niet op slot.

Zij stond op het bed met een van haar sandalen in de hand.

,,Wat doe je daar?'' vroeg ik. ,,Met die sandaal?''

,,Ik klop op de muur'', zei ze, ,,ik kan van dat lawaai niet slapen. Eerst wilde ik het met de douchekop doen, maar toen bedacht ik, dan moet ik zeker nieuw behang betalen. En zo dik zijn die muren niet. Dan had ik een kijkgat gemaakt. Dan had ik me hier nooit meer kunnen vertonen.''

Ik pakte de sandaal uit haar hand. ,,De heren hebben gewoon een beetje pret'', zei ik. Op een ochtend fluisterde mevrouw E. in mijn oor: ,,Koop toch een bermudabroek voor je moeder.''

Mijn moeder zei dat ze zou gaan schreeuwen als ik een bermudabroek voor haar kocht, ze wilde in korte broeken rondlopen.

Nog tien dagen duurde mijn verblijf in Hinterzarten. We lagen op ligstoelen.

Ze ging mee in de taxi naar het vliegveld van Zürich. Veel was er nu niet meer te zeggen.

Wel scheen het mij meer dan vroeger dat ik voor altijd bij mijn moeder moest blijven, bij voorkeur in de Duitse bergen. Zoiets was minder absurd dan voor altijd bij iemand blijven die je in een restaurant of boekhandel had ontmoet.

Misschien konden we een pension openen.

Hoe langer ik naar haar keek, hoe mooier ze ook werd. Ze had iets van een vogeltje dat per ongeluk mijn vijftien jaar oude jas had aangetrokken.

Toen we uitstapten zei ze: ,,Ik wil nou eens een keertje de definitieve juffrouw leren kennen.''

Ik keek naar haar sandalen. Er was geen definitieve juffrouw, hooguit het noodlot waarmee mevrouw E. haar gasten alleen liet.