Gespleten tong

Van twee kanten klonk gisteren scherpe kritiek op het kunstbeleid dat staatssecretaris Van der Ploeg wil voeren. Prinsjesdag nadert, en met het naderen van de dag waarop Van der Ploeg zijn Cultuurnota presenteert, zwelt ook de kritiek aan.

Om te beginnen was daar de openingsrede van het Theaterfestival in Amsterdam, waarin wisselende sprekers ieder jaar hun licht laten schijnen over het kunstbeleid. Dit jaar was het de econoom dr. Arie van der Zwan, die stelde dat onder deze staatssecretaris en met deze Raad voor Cultuur we, in de theaterwereld, afstevenen `op een verregaande fragmentarisering van het toneelaanbod'. Bovendien `wordt het kwaliteitsoordeel zo zeer vermengd met politieke en budgetaire oogmerken dat het gezag van de overheid in diskrediet dreigt te raken.'

Pittige uitspraken, maar die horen bij de `state of the union', zoals de theaterrede genoemd wordt. Niet dat het aan het de waarde van de woorden van Van der Zwan wat afdoet, maar opmerkelijk is zijn kritiek niet. Het advies van de Raad voor Cultuur trof namelijk vooral de theaterwereld, omdat de Raad, overeenkomstig de wensen van de staatssecretaris juist in die sector veel nieuwe, jonge theatergezelschappen het voordeel van de twijfel gaf, en beloonde met een positief subsidie-advies. Oude, eerbiedwaardige toneelgezelschappen kregen straf: hen werd minder of helemaal geen subsidie in het vooruitzicht gesteld. `Raad streng voor veteranen', vatte een commentator het samen. In sommige adviezen schreef de raad soms letterlijk: over de kwaliteit van dit jonge gezelschap twijfelen we nog, maar...

Van der Ploegs wens om de kunst vooral voor jong en allochtoon publiek aantrekkelijker te maken, was in de adviezen van de Raad duidelijk terug te vinden.

Daarom was het des te opmerkelijker dat gisteren de voorzitter van diezelfde Raad, Winnie Sorgdrager, in een toespraak bij de opening van het studiejaar van de Rijksuniversiteit Groningen, zo mogelijk nog feller van leer trok tegen Van der Ploegs jong-en-allochtonen-kunstbeleid dan Van der Zwan.

Kwaliteit moet bij de beoordeling van een kunstinstelling voorop staan, benadrukte zij, en niet of de instelling het juiste publiek (jong of allochtoon) bereikt: ,,Het is nergens voor nodig [...] mensen van een andere etnische herkomst bij de haren naar westerse kunst te slepen. Vermenging en beïnvloeding moeten vanzelf komen.'' Deze opmerkingen kunnen niet anders opgevat worden als rechtstreekse kritiek op de intenties van de staatssecretaris voor cultuur, die nu juist nadrukkelijk van mening is dat die vermenging niet vanzelf plaats heeft, en zowel de allochtonen en autochtonen een handje wil helpen bij die culturele vermenging. Dat is de crux van zijn kunstbeleid, dat is zijn politieke missie.

Het is des te opmerkelijker omdat het de voorzitter van zijn belangrijkste adviescollege is, de Raad voor Cultuur, die dat stelt, nadat diezelfde Raad in zijn adviezen juist de staatssecretaris op dat punt zeer ter wille was, en best bereid was de kwaliteitseis voor enthousiaste jongelingen af te zwakken. Zo leverde Sorgdrager eigenlijk kritiek op haar eigen werk. De voorzitter sprak met gespleten tong.