Gerbrand

Max en Vera hadden een drukke dag. Er was van alles te doen rond het huis. Ze moesten een dode struik omhakken, het grint harken, gras maaien en bloemen plukken. Bovendien waren ze een paar Playmobil-poppetjes kwijt en die wilden ze nu eindelijk wel eens vinden. Het werd herfst. Dan was het handig als je alle Playmobil binnen had. De lucht was tintelend en fris. De zon scheen nog wel, maar hij was niet echt warm meer. Van al het werken, kregen ze honger en tussen de middag aten ze een hoge stapel boterhammen met pindakaas, worst en hagelslag.

,,Ik ben ineens heel moe,'' zei Max toen hij de laatste boterham op had. Het was een dikke dubbele met hagelslag en veel boter.

Vera sloeg een hand voor haar mond. Het kon van verbazing zijn, of van schrik. Maar het kon ook zijn dat ze ineens moest gapen. Dat heb je wel eens. Iemand zegt dat ie moe is, en meteen ben je zelf ook moe. ,,Kom op Max, het is pas middag!'' zei ze dapper. Er was een traan in haar oog gesprongen die ze snel wegpinkte.

Max zag het allemaal wel. Vera was ook moe. Grappig. Het liefst wilde Max zijn hoofd gewoon naast het bord leggen en even een uurtje dromen. Daarna was er nog genoeg van de middag over om een heleboel te doen. Hij voelde al hoe zijn hoofd zwaar werd. Het ging hangen.

,,Je valt in slaap! Ik zie het wel hoor,'' mompelde Vera. Ze kon haar laatste boterham niet op. Het was er eentje met worst. Dat was ook dom. Je kon beter een lekkere boterham voor het laatst bewaren. Ze zag hoe Max zijn hoofd met een klein droog tokje op tafel viel. Zijn haar zat behoorlijk in de war. Er zaten wat takjes in. Zelf kreeg ze nu ook razende slaap. Het was alsof iemand een warme, dikke deken over haar heen trok. En ze liet het hoofd hangen. Ze hoorde niet eens hoe het met een bons op haar bord viel.

Ze sliepen.

Wie slaapt, gaat dromen. Dat weet iedereen. Maar met z'n tweeën slapen en allebei hetzelfde dromen is een wonder dat bijna niet voorkomt. Toch droomden Max en Vera hetzelfde, terwijl ze daar zo lagen met hun hoofden op tafel. Het raarste was nog dat ze droomden van een konijn, een groot, slobberig bruin gevlekt konijn met lange oren die bijna op de grond hingen, hangoren dus. In de droom kwam het konijn op een avond bij het Max en Vera langs. Ze hoorden geritsel en vreemde, smakkende geluiden en toen stapte plotsklaps een groot hangoorkonijn uit de struiken.

,,Een konijn,'' bromde Max in de droom.

,,Een konijn,'' echo-de Vera.

,,Een hangoor-konijn,'' verbeterde het droomkonijn met vinnige stem en hij hipte sloom over het gras op hen af.

,,Hij kan praten Max,'' fluisterde Vera.

,,Hoe heet je?'' vroeg Max dapper aan het konijn.

Het konijn was gaan zitten. Zijn oren hingen groot en harig langs zijn smalle kop. Met zulke oren kon je veel horen, dat moest haast wel.

,,Gerbrand,'' antwoordde het konijn langzaam.

,,Gerbrand hè...'' herhaalde Vera, ,,wat een stomme naam voor een konijn.''

,,Een hangoor-konijn,'' verbeterde Gerbrand.

,,Wat is het verschil met andere konijnen?'' vroeg Max nu.

,,Wat denk je?'' vroeg Gerbrand. Hij had een wat nuffige stem. Hij rook naar een oude klerenkast. Een vreemde lucht voor konijnen. Zijn vel was zacht en harig. Het leek wel dons. Alsof hij veel sliep.

Max en Vera keken elkaar aan. Dat was leuk om te doen als je allebei in dezelfde droom zat. Ze wisten ook het antwoord. Het verschil tussen konijnen en hangoorkonijnen zat hem in de hangoren. Bij gewone konijnen hingen de oren niet, maar stonden ze rechtop. Nogal wiedus allemaal, maar net toen ze het allebei tegen Gerbrand wilden zeggen, werden ze wakker uit hun korte slaapje bij de boterhammen. Ze keken beduusd en zoekend om zich heen.

,,Ik zie niks,'' mompelde Max.

,,Hij is weg,'' zei Vera zacht.

Toen keken ze elkaar aan en dachten ze aan Gerbrand het hangoorkonijn dat even in een droom bij hun langs was geweest. Een vreemde vogel was het geweest, met die lange, slappe oren.