Gedresseerde krankzinnigen

In een Frans kasteel worden door kunstenaars gemaakte, bewegende machines geëxposeerd. `De aanblik van de beweging geeft de machine haar betovering.'

Crépy-en-Valois ligt een kilometer of zeventig ten noordoosten van Parijs, bijna in het midden van de driehoek Compiègne-Senlis-Soissons. Wie met het openbaar vervoer wil, neemt de Thalys, stapt in het Gare du Nord over en dan is het nog een uurtje met de boemeltrein. Om de Donjon van Vez, de plaats van deze tentoonstelling, te bereiken, moeten we dan nog een twintig minuten met een taxi, want er is geen bus. Het is een mooie weg door het noordfranse landschap. Juist op het ogenblik dat je je gaat afvragen of er wel een einde aan komt, verschijnt Vez in het blikveld, een oud nederzettinkje, en reusachtig daarboven torenend, de donjon, met daarin de kunst waar het om te doen is.

Het begint al in het park. Meteen rechts staat een T-Ford die er niet helemaal uitziet als een T-Ford en dit dan ook niet is, maar een skulptuur, een door Xavier Veilhan gemaakt beeld van deze auto, van ijzer en hout, op rails, met een mechanisme eronder waardoor hij heen en weer zou kunnen rijden als het mechanisme werkte. Links in een tent staat een BMW 1975, beschilderd door Alexander Calder, een jaar voor zijn dood; in de tweede tent een Ferrari Formule I raceauto en in de derde een curieuze auto, de Renault 900, een door de fabriek afgekeurde, nooit op de openbare weg verschenen voorloper van de Espace. Over al die objecten zou veel te schrijven zijn: dat Calder veel beters heeft gedaan dan een auto beschilderen, dat de Formule I een mirakel van toenemende waanzin is, en dat de Fransen een genie hebben voor het maken van revolutionaire auto's (denk ook aan de DS en de Deux Chevaux). Maar tot dusver lijkt dit een uitstapje in de dependance van een automuseum.

We verlaten het park, bekijken de vervaarlijke kasteelmuren, passeren de droge slotgracht en komen op de binnenplaats. Hier staat een interessant uitziend, kaal boompje waarvan de takken machientjes dragen, zo te zien gekocht in een aquariumwinkel. Daar is niets tegen. Alles wat de kunst dient moet eerst worden gekocht, tenzij het gevonden wordt. Dit mechanisme wordt met een druk op de knop in werking gesteld en begint dan water uit zijn takken te lekken terwijl de pompjes gierende geluidjes maken. Het is de Yggdrasill van de jonge kunstenaar Nicolas Darrot (1972). Het draagt, meldt de catalogus `een vreemde poëzie uit', en het is waar, het is leuk om op de knop te drukken en de boom te laten lekken (drie keer gedaan).

Een pijl wijst dan naar boven. We gaan een nauwe gang in, een nauwe 600 jaar oude trap op en komen in een kamertje van dezelfde leeftijd waar een installatie staat die geluid maakt en beeld projecteert. Het principe van de optophone is in 1922 bedacht door de dadaist Raoul Haussmann. Dit werk is getiteld Raoul Haussmann Revisited en laat in het Italiaans een redevoering horen. Mussolini? Ik heb ter identificatie een paar keer op de knop gedrukt, maar het lukte niet. Het optische deel werkte niet.

De pijlen volgend komen we dan aan een kapotgeslagen telefooncel, hoorn naast het toestel bengelend en geluid makend. Roept: `Allo!' Is een verbeelding van de vervreemding, het stadsvandalisme en de sociale marginalisering. En dan verder, het kasteel in. We bekijken een blok ijzer bestaande uit een samengeperste Mercedes. Het is van César (1921-1998) die veel heeft laten samenpersen, een serie, getiteld Compressions dirigées. Verderop is ook nog een Solex na dezelfde behandeling te zien. `Eén enkele beweging van de staalpers verwijst naar duizenden industriële handelingen.' Afgezien van de artistieke verdienste: het is een goed voorbeeld van hoe een theorie, of visie – hoe je het wilt noemen – een object tot kunstwerk maakt – of kàn maken, als je de theorie aanvaardt. Zou je door de ogen van de Godfather naar deze Mercedes kijken, dan zou je denken: `Wie zit erin?' Van andere kunstenaars zijn er nog een gekruisigde Kapitein Mobylette en een vergulde Solex.

Hoger klimmend in de middeleeuwen zien we een aantal echte machines, dat wil zeggen bewegend en geluid makend. Ik noem: de Driehoeksverhouding, drie verfkwasten met geluid, van Rebecca Horn, en drie goed bewegende mattenklopperachtige vlakken, De Betaster van Francois Monchatre. Beiden hebben goed naar Tinguely gekeken. En er is ook een echte Tinguely, `De weduwe van de slager'. Niet zijn sterkste machine.

Zaagmachine

Dit alles klinkt wat onwelwillend. Zo is het niet bedoeld. Het gaat er meer om, wat je onder een machine als werk van een kunstenaar verstaat. In het parkje op de binnenplaats staan drie machines, gebouwd naar tekeningen van Leonardo da Vinci: een zaagmachine, aangedreven door waterkracht, een hamer die aan de steel wordt geheven door een ovaal wiel, en `losgelaten' als de steel de onderbreking in de ovaal bereikt. Het wiel laat de hamer vallen. Je kunt er zelf een steentje onder leggen en tot gruis laten slaan. En dan is er nog een watermolen met wormwiel en tandrad, de combinatie die het mogelijk maakt een draaiende beweging in een hoek van negentig graden voort te planten. Drie voorbeelden van machines die zelfstandig dezelfde bewegingen herhalen, en daarbij iets produceren.

De aanblik van de beweging geeft de machine haar betovering. Het is jammer voor de jeugd en de kunstenaars van deze tijd, dat de stoommachine uit de maatschappij is verdwenen. De locomotief, de heimachine, een grote scheepsmachine hebben deze betovering in de hoogste graad. De oorzaak daarvan ligt in de omzetting van de horizontale beweging in de draaiende, van zuiger, via zuigerstang, drijfstang, kruk en krukas. Ik zal u er verder niet mee lastig vallen. Het visueel resultaat is om je leven lang niet genoeg van te krijgen. Het werkt, zichtbaar, onophoudelijke, en dat doet het uit zichzelf zolang de machine op tijd wordt gevoed, naar de dokter gaat (ze kan iets breken, verkouden worden, gaan hoesten), alles als een mens. En als ze op is, gaat ze naar het kerkhof of haar bruikbare onderdelen worden gekannibaliseerd voor de transplantatie. Ik vind het opmerkelijk dat er nog geen kunstenaar is geweest die een zieke machine in bed heeft gelegd. Een oude fiets, met koplamp en bel boven de dekens, en dan van tijd tot tijd een zwak en schor gerinkel. De machine als mens. `Zij heft een knie in stoom,' dichtte Nijhoff. Helaas! Om te begrijpen hoe mooi deze regel is, moet je de knie hebben gezien, en daar is tegenwoordig weinig kans op.

Machine als mens. Maar wat voor mens? Een gedresseerde krankzinnige, een monomaan. Het staat in mijn geheugen gegrift dat ik voor het eerst, als jongen van een jaar of zes, op een raderboot een grote scheepsmachine in werking zag, er mijn ogen niet van af kon houden, niet weg te slaan was. Het was de onverzettelijke regelmaat van de krankzinnigheid, en de poëzie van wat gemaakt was. Mijn vader had een solide vestzakhorloge (Williams, Massachusetts), met aan de achterkant een klepje dat het uurwerk beschermde. De bewegingen van het échappement en de onrust hadden dezelfde betovering.

Deze sensatie heeft me bij de aanblik van een goed werkende machine nooit verlaten. Ik zag Tinguely voor het eerst omstreeks 1960. De herhaalde openbaring van de 6-jarige. Ik kwam in het Museum Tinguely, in Bazel, waar zijn grootste machines staan opgesteld. Dezelfde instemming: het werkt, en het produceert niets anders dan mijn diepe tevredenheid. Die machines zijn concreet vervulde poëzie, en terwijl ik dit schrijf heb ik het gevoel `dat woorden tekort schieten.' Een goede machine in werking zien is een bevrijding.

In de tuin naar Leonardo's constructies kijkend althans naar wat volgens zijn tekeningen tijdgenoten ervan gemaakt hebben deed ik mijn best, me te verdiepen in zijn geest. Hoe zie je, hoe kom je erachter wat een wormwiel en een tandrad samen kunnen doen? Het is de flits van het inzicht, in beginsel niet verschillend van de reeks inzichten waarmee de mensen op de beste manier woorden achterelkaar tot mooie en niet mis te verstane zinnen kunnen bouwen, maar tegelijkertijd van een andere orde, omdat Leonardo's geest hem in staat stelde, te ontdekken in de drie dimensies van de beweging.

Lokken

Terug naar de hogere étages van de Donjon. Daar hangt aan het plafond een schaalmodel, 1 op 4, van een Blériot 11, lesvliegtuig uit 1914, een door Calder in 1949 gemaakte Hommage à Blériot. Ja, dat is weer mooi, en het is niet dat de grote Fransmans zo'n eerbetoon niet zou verdienen, maar het is geen machine, het is het met liefde gemaakte beeld van een machine. Het deed me denken aan het vliegtuig dat een Papoeastam had gemaakt, een ongelofelijk lijkende Piper Cup van hout, waarmee de overvliegende machines moesten worden gelokt. Bewonderen en lokken hoeven niet zoveel van elkaar te verschillen.

En toen had ik de smalle gaanderij achter de kantelen bereikt. Ik kon niet hoger en ik had alles gezien dacht ik.

De tentoonstelling wordt begeleid door een catalogus in kleur, met een erudiet essay van Jean-Michel Ribettes, waarin belangwekkende acrobatiek over de verhouding tussen machine en kunst ten beste wordt gegeven. Het gaat ook over de politiek en de machine, en het niet te ontkennen feit dat we nooit van Karl Marx hadden gehoord als de stoomschuif niet was uitgevonden. Het verbaasde me dat Chaplin met zijn Modern Times niet ter sprake kwam. Wel de machine célibataire, de vrijgezellenmachine waaraan een afzonderlijke theorie is verbonden. En dan komt de elektronische revolutie aan de orde, de ondergang van de zichtbare beweging. Dit verhaal wordt geschreven op een machine waarin behalve de verende toetsen niets driedimensionaal beweegt. Een jaar of vijftien geleden ging het schrijven gepaard met machinaal geweld van hefboompjes, het zacht staccato waarmee de brug al verschuivend ruimte vrij maakte voor de volgende letter, en dan, door één handbeweging de rol een regel verder draaide. Hier beweegt verder, tweedimensionaal, alleen de cursor waaraan niets bijzonders te zien is. Zet een fiets op zijn stuur en zadel en draai eens hard aan de trappers: dan zie je in een betrekkelijke eenvoud, een klassiek mechanisme in werking. De zichtbaarheid van het werkend mechanisme is vrijwel uit het dagelijks leven verdwenen. Dat kunnen we ook een revolutie noemen.

De eerste steen voor de Donjon de Vez is gelegd omstreeks 1360, door Jehan de Vez. Tegen het einde van de dertiende eeuw kwam het kasteel door een onvriendelijke overname in bezit van Louis d'Orléans. De daarop volgende honderden jaren is er voortdurend aan gebouwd en verbouwd. Jeanne d'Arc heeft er één nacht gelogeerd; grote veldslagen vermeldt de beknopte geschiedenis niet.

In de negentiende eeuw verwisselde het een paar keer van eigenaar, en tenslotte is het in handen gekomen van de Parijse veilinghouder Francis Briest die het voor kunstzinnige manifestaties beschikbaar stelt. Prijzenswaardig. Dat zou iedere kasteelheer met zijn bezitting moeten doen.

Tussen twee kantelen door keek ik naar beneden. Hoe diep? Een meter of dertig. En toen weer naar de horizon die daar goed te zien is. In de verte zag ik een stofwolk, langzaam naderend. Daar maakten zich de contouren van mensen en paarden uit los. Een leger! Harnassen schitterenden in de zon. Ik kon de stormrammen, de blijdes en de katapulten onderscheiden. Machines! Ik rook en hoorde ik het pruttelend pek waarmee straks de aanvallers begoten zouden worden.

Links en rechts van me waren de kruisboogschutters hun wapens en projectielen aan het controleren. Waarschijnlijk zat ik in een tijdmachine.

De tijdmachine is een machine die de gebruiker in zijn hersens meedraagt en de enige die hem in staat stelt, onmetelijke chronologische afstanden af te leggen en vergelijkingen te maken. En voor ik het wist had ik het gedacht: wat een loodzware allermodernste pretenties hebben hier in de middeleeuwen onderdak gevonden. Het zijn niet zoveel van deze hier tentoongestelde werken op zichzelf, het is de enorme ernst waarmee zo worden gepresenteerd. De expositie in haar geheel, met de sterke en de zwakke stukken, had het in een grote, witgekalkte garage waarschijnlijk goed gedaan. Het is de ernst van dit moderne tevoorschijn komen, die in de Donjon de Vez ten onder gaat.

Machins/Machines, tot 1 okt., dagelijks van 14-18 uur, Donjon de Vez, 60117 Vez. Inl. 00 33 3 44885518.

De Yggdrasill draagt `een vreemde poëzie uit'. Het is leuk om op de knop te drukken en de boom te laten lekken (drie keer gedaan)