Fatale principes

Twee oorlogen voerde Nederland in 1947 en 1948/49 tegen de Republiek Indonesië.

De emoties over deze `Politionele Acties', de excessen en het trauma van de dekolonisatie lopen nog steeds hoog op. Een nieuwe studie rekent af met vele mythen.

Ruim vijftig jaar na het einde van de Nederlandse aanwezigheid in Indonesië roept het koloniale verleden nog steeds een breed scala van emoties op. Die variëren van woede over niet-uitgekeerde Japanse vergoedingen voor oorlogsleed tot morele verontwaardiging en schaamte over wat er de jaren 1945-1949 aan militaire daden werd verricht. `Nederlanders schamen zich voor het koloniaal verleden', kopte het Historisch Nieuwsblad in juli dit jaar op grond van een enquête onder ruim vijfhonderd Nederlanders. Wanneer men zich schaamt, is het wel goed te weten waarvóór. Voor dat laatste biedt Afscheid van Indië alle mogelijkheden. De Leidse historicus Wim van den Doel laat in dit heldere overzicht van de dekolonisatie van Indonesië zien dat er in de jaren 1945-1949 méér gebeurde dan die huidige publiekstrekkers: oorlogsmisdaden en de Politionele Acties.

Van den Doel beschrijft de hink-stapsprong van het Nederlands beleid, dat tweemaal hetzelfde parcours aflegde voordat de eindstreep werd bereikt: van voortslepende onderhandelingen tot akkoord (Linggadjati 1946, Renville 1948) en korte koloniale oorlog (de Politionele Acties in 1947 en in 1948/1949). Hij doet dat met verve, met scherpe analyses, met oog voor detail en pakkende citaten. `Denk niet dat ik mij voorstel dat wij het nog zullen beleven dat de Hollanders hier verdreven worden [...] maar wel staan wij voor een eindelooze steeds heftiger wordende strijd, waarin wij het op de duur zullen moeten afleggen', profeteerde de gematigd progressieve gouverneur-generaal A.C.D. de Graeff in 1929.

Maar weinig Nederlanders konden zich wegdenken uit deze droomkolonie. Begin 1946, toen de gewapende strijd al in volle gang was, meende de regering in Den Haag nog dat zelfstandigheid op zijn vroegst `binnen den arbeidsduur van de thans opkomende generatie' zou worden bereikt. Dat was toch nog altijd een jaar of dertig. Het werd een sterk verkorte arbeidsduur: in minder dan vijf jaar erkende ook Nederland Indonesië als onafhankelijke staat. Die onafhankelijkheid was uitgeroepen op 17 augustus 1945, twee dagen na de capitulatie van Japan. Britse troepen van het geallieerde oppercommando arriveerden eind september in Batavia. Luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook kwam met zijn staf pas begin oktober 1945 aan. Britten en Nederlanders werden geconfronteerd met een revolutionaire chaos, waarop zij door het volkomen isolement van de archipel onder de Japanners niet waren voorbereid.

Dilemma's

Van Mook, een zeer intelligente `solitaire olifant' met een enorme werklust, was een pragmaticus. Hij trad in het najaar van 1945 al snel in overleg met Sukarno, tegen de uitdrukkelijke bevelen van de Nederlandse regering in. Het was ook pragmatisme – geboren uit militaire onmacht – die Van Mook naar de onderhandelingstafel dreef en hem in 1945 deed besluiten het eiland Java aan de Republiek te laten. Van den Doel ruimt daarbij een belangrijke plaats in voor het federalisme, de constructie uit Nederlandse koker die de vorming voorzag van Indonesische deelstaten waar de Republiek er één van zou worden. Hij schildert de deelstaat af als de late totstandkoming van het vooroorlogse ideaal van de `moderne koloniale staat', die in het conservatieve Indië van toen niet gerealiseerd werd. Het is een centraal concept in zijn boek, dat hij definieert als een democratie-in-wording. Zij diende te bestaan uit meer democratisch samengestelde bestuurlijke lichamen met een Indonesische meerderheid onder westerse leiding en met ruimte voor het westerse bedrijfsleven. Een semi-koloniaal ideaal dus.

In het Akkoord van Linggadjati tussen Nederland en Indonesië (1946) werd vastgelegd dat er in ieder geval drie deelstaten zouden komen: Oost-Indonesië, Borneo en de Republiek (Java en Sumatra). Kleinere eenheden zouden niet levensvatbaar zijn. Toch was ook die structuur een gok. Hoe zouden het in demografisch en economisch opzicht veel sterkere Java en Sumatra, nog afgezien van hun revolutionaire strijdbaarheid, zich tot de andere twee verhouden? Op beide eilanden leefde immers tachtig procent van de Indonesische bevolking, terwijl de Indonesische economie dreef op de export uit Sumatra.

Toen de onderhandelingen in 1947 verkilden en de guerrilla bleef doorgaan, maakte Van Mook van de federale strategie `het breekijzer om de Republiek uit zijn voegen te lichten'. In de door Nederland veroverde gebieden namen lokale elites hun kans waar om hun eigen federale staat te stichten. Hun regeringen waren meer dan marionetten die aan de Nederlandse touwtjes dansten, daarvoor waren de nationalistische sentimenten te sterk. Evenmin waren ze eigentijdse versies van de moderne – koloniale – staat waarop Van Mook had gehoopt, met leiders die het algemeen belang in het oog hielden en ook nog open stonden voor Nederlandse `adviezen'. Die leiders waren veelal afkomstig uit de traditionele elite met hetzij een weelderig society-leven en dito financiële behoeften, hetzij dominante familiebelangen.

Een van de onoverkomelijke hindernissen in de vijf jaar van `de Indonesische kwestie' vormde de grote afstand tussen Den Haag en Batavia. Zoals een minister het in 1946 formuleerde: `Zij ginds leven onder feiten, wij hier onder principes'. In Den Haag is het federalisme nooit serieus onderwerp van discussie geweest. Daar brak men zich slechts het hoofd – en uiteindelijk de nek – over het grotere verband tussen de voormalige kolonie en het moederland, de Nederlands-Indonesische Unie. Moest dit een losse samenwerking worden van twee gelijkwaardige staten, zoals Indonesië wenste, of een semi-koloniale constructie met gedelegeerde taken op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, zoals Nederland verlangde? Met hun keus voor een `zware unie' verspeelden het Nederlandse kabinet en parlement in het najaar van 1946 op een dramatische manier de enige kans op overeenstemming na het Akkoord van Linggadjati.

In het voorbijgaan ruimt Van den Doel een paar hardnekkige Nederlandse mythen op rondom het Indonesische nationalisme. De Japanse invloed was niet de oorzaak van het nationalisme in Indië, zoals lang is beweerd, al had die een katalyserende werking op de republikeinse emoties. Engeland heeft Nederland niet `verraden' bij de herbezetting van Indië in 1945. En de Verenigde Staten hebben Nederland daarna niet `in de steek gelaten'. Het Britse opperbevel kon in 1945 en in 1946 niet meer doen dan beveiliging van key areas, ontwapening en repatriëring van de Japanners en bescherming van kampgevangenen. Alleen al daarvoor moest fel worden gestreden. De Amerikaanse regering steunde Nederland aanvankelijk met militair materieel, politieke bemiddeling en diplomatieke pressie. Het State Department meende namelijk, ondanks zijn antikoloniale retoriek, in de beginnende Koude Oorlog meer baat te hebben bij een sterk Europa, inclusief Nederland, dan bij een nog onduidelijk, onafhankelijk Indonesië.

Tandeloze commissie

Nederland had het dan ook aan de Verenigde Staten te danken dat de Veiligheidsraad na de Eerste Politionele Actie in 1947 koos voor een vrij tandeloze `Commissie van Goede Diensten' om tussen de partijen te bemiddelen. De drie achtereenvolgende Amerikaanse vertegenwoordigers te velde werden allen binnen de kortste keren Republikeins gezind. Nederlandse autoriteiten waren er blijkbaar `een meester in om ieder die lang met ons verkeert in het harnas te jagen', zoals een topambtenaar op Buitenlandse Zaken constateerde.

Voor het State Department kwam de ommekeer pas toen de Republiek in september 1948 haar anticommunisme had bewezen door een communistische opstand op Madioen neer te slaan. Met de Tweede Politionele Actie in december 1948 groef Nederland vervolgens internationaal haar eigen graf. Die late internationale steun voor de Republiek had Van den Doel wel meer kunnen benadrukken. Het is zeker niet alleen het Indonesisch nationalisme geweest dat verantwoordelijk moet worden geacht voor de overdracht van de soevereiniteit.

Afscheid van Indië is, zoals de titel al aangeeft, geschreven vanuit een Nederlands perspectief. Zicht op de `tegenstander' ontbreekt in het boek echter niet. De Republiek was niet het kleine groepje `extremisten' dat de Nederlandse publieke opinie van haar maakte. Het Indonesische verlangen naar onafhankelijkheid was algemeen, de onderlinge verdeeldheid tegelijkertijd groot. Conflicten tussen aanhangers van diplomatie enerzijds en van strijd anderzijds, tussen Republikeinse leiders in het verwesterde Batavia en die in het Indonesische Yogyakarta, tussen strijdbare jongeren (pemuda) en lokale elites, tussen islamitische en `seculiere' nationalisten, werden met alle mogelijke politieke en militaire middelen uitgevochten.

Militaria nemen in het boek een door de politieke omstandigheden ingekaderde maar belangrijke plaats in. Van den Doel heeft de Twee Politionele Acties consequent omgedoopt in Eerste en Tweede Nederlands-Indonesische Oorlog, een benaming die het zicht op de gebeurtenissen verhoogt, al laat de gebruikelijke term Politionele Acties (met hoofdletters) ook weinig aan duidelijkheid te wensen over. Het waren oorlogen, die niet langer duurden dan enkele weken. Maar het geweld bleef niet beperkt tot die `oorlogen'. Geweervuur van militaire schermutselingen was de gehele vijf jaar te horen. In toenemende mate werd die guerrilla van beide zijden een `vuile oorlog', zoals de auteur illustreert met enkele voorbeelden, zoals de affaire-Westerling en Republikeinse moorden op Chinezen. Het blijft een wrang gegeven dat in het laatste jaar 1949 evenveel Nederlandse slachtoffers zouden vallen als in de drie jaar daarvoor. In totaal lieten bijna 5.000 Nederlandse militairen het leven. Aan Indonesische zijde viel een veelvoud daarvan: naar schatting 150.000.

Afscheid van Indië vult een gat in de markt. Het laatste, summiere, overzicht De dekolonisatie van Indonesië, door C. Smit, verscheen ruim een kwart eeuw geleden. Daarna moesten we het stellen met een omvangrijke bronnenpublicatie, met artikelen en dissertaties over deelaspecten zoals Jan Banks De katholieken en de Indonesische Revolutie, biografieën en memoires, en met hoofdstukken in overzichtswerken. Zes jaar geleden waren er in totaal zevenduizend titels over de Indonesische onafhankelijkheid verschenen. Sindsdien is de stroom publicaties niet afgenomen. De Indonesische werken kon Van den Doel weliswaar schrappen (hij leest geen Indonesisch), maar er bleef genoeg vertaalde literaruur over om ook de Indonesische kant van het verhaal te vertellen. Bovendien heeft Van den Doel grondig gebruik gemaakt van de eerdergenoemde bronnenpublicatie, die anderhalve meter plank vult, en deed hij incidenteel aanvullend archiefonderzoek. De historische productie van de afgelopen halve eeuw heeft hij in de korte werktijd van twee jaar in een goed lopend verhaal verwerkt. Dat alleen al is een prestatie, zeker wanneer dat in deze vorm gebeurt met een doorlopende verhaallijn, beelden bij de feiten en knappe beschouwingen. Dat tempo heeft echter ook behoorlijk wat slordigheden in de hand gewerkt. Een daarvan leidde meteen al tot foutieve berichtgeving in deze krant (29.8.2000). De Tweede Politionele Actie werd niet op 11 augustus maar op 5 januari 1949 beëindigd. Op 11 augustus volgde een algeheel staakt-het-vuren van beide partijen.

Uitgesproken meningen

Voor wie goed in het onderwerp zit, biedt het boek geen hard `nieuws'. Wel heeft het een eigen structuur en biedt het uitgesproken meningen. Van den Doel schuwt het debat niet. In de historische literatuur werd het Nederlandse beleid doorgaans negatief beoordeeld. Het zou in de jaren 1945-1949 kansen hebben gemist, omdat het de gevangene was van zijn verleden, van zijn koloniale trots en van zijn oorlogservaringen. Slechts enkele Nederlandse historici hebben een wat positiever geluid laten horen. J.J.P. de Jong stelde bijvoorbeeld dat Nederland `gerichte dekolonisatie' nastreefde, en P.J. Drooglever zei in 1996 dat Nederland `het zo gek nog niet had gedaan'. Nederland had volgens hem – bedoeld en onbedoeld – meegewerkt aan de stabilisering van een nieuwe maatschappelijke en militaire orde in Indonesië.

Van den Doel bestrijdt dit revisionisme, en doet dat op goede gronden. Hij sluit zich zodoende weer aan bij de wetenschappelijke mainstream, die het Nederlandse beleid veroordeelt als conservatief. Het hangt er natuurlijk maar vanaf wat men onder `gerichte dekolonisatie' verstaat. Voor de Nederlandse regering was een erkenning van zelfstandigheid `binnen den arbeidsduur van de thans opkomende generatie', wellicht een breuk en golden voorstellen voor een overgangsperiode als een belangrijke concessie. Voor de tegenpartij was er op haar beurt in die slakkengang weinig te merken van `gerichte dekolonisatie'. Dat Nederland het `zo gek nog niet deed', kan volgens Van den Doel in elk geval niet worden afgeleid uit de gevolgen van de twee oorlogen voor het nieuwe Indonesië. Dat verloor meer dan honderdduizend burgers, leed grote economische en bestuurlijke schade en hield er een dominant leger aan over, dat nog lang van zich zou laten horen.

Van den Doel ziet internationale vergelijking als een objectiever criterium. Zo'n vergelijking valt weinig gunstig uit. Ook dat hebben andere historici al eerder vermeld, al verwijst hij niet naar alle relevante literatuur. De onafhankelijkheid van voormalige Europese kolonies is nergens simpelweg met een handdruk en een glimlach tot stand gekomen, maar er zijn wel gradaties in de strijd om de machtsoverdracht. Amerikanen en Britten hadden al vóór de Tweede Wereldoorlog de onafhankelijkheid van de Filippijnen en India voorbereid. Met de Fransen in Indo-China deelden de Nederlanders een gebrek aan inzicht in de kracht en populariteit van het naoorlogse Aziatische nationalisme.

Faillissement

Opmerkelijk is Van den Doels waardering van de rol die economische factoren bij de onafhankelijkheid hebben gespeeld. Die zijn volgens hem niet van doorslaggevend belang geweest voor de Nederlandse vasthoudendheid, maar hoogstens een randvoorwaarde. Dat laatste bleek bijvoorbeeld in 1947, toen de strijd onbetaalbaar dreigde te worden en een Nederlands faillissement nabij leek. Minister van Financiën P. Lieftinck eiste toen terugtrekking van de troepen, of juist een militair optreden om de Nederlandse ondernemingen te ontzetten. Dat werd `Operatie Product', de Eerste Politionele Actie. Toch speelde volgens Van den Doel het `Indië verloren, rampspoed geboren' geen cruciale rol in de Haagse en Bataviase besluitvorming. Het is de vraag of hij dat niet onderschat. Van Mook, voor de oorlog directeur van Economische Zaken, was geen leek op economisch terrein. Ook hij ging uit van de betaalbaarheid en de economische overlevingskansen van zijn federale structuur. Het bedrijfsleven hoorde immers bij de `moderne koloniale staatsvorm', die hij, zoals Van den Doel zelf aangeeft, met het federalisme wilde creëren. Bij de rondetafelconferentie speelden economische argumenten zelfs een hoofdrol.

In zijn conclusie kiest Van den Doel voor formules als `het treurspel der gemiste kansen', `een falen der generaties', zoals koningin Juliana het bij de overdracht van de soevereiniteit in 1949 aanduidde. Het einde van Indië zou toch wel gekomen zijn; daarover laat hij geen twijfel bestaan. De Ethische Politiek na 1900 en moderne economische ontwikkelingen hadden de koloniale orde complex, kwetsbaar en instabiel gemaakt. Een gering aantal Europeanen (in Indië 0,4 procent van de totale bevolking) overheerste een omvangrijke, steeds mondiger bevolking, met zeer beperkte machtsmiddelen. Het Nederlandse `falen' ligt niet in het feit dat het einde kwam, maar in de wijze waarop het kwam.

En die wordt door Van den Doel terecht historisch verankerd, in de Nederlandse afwijzing van politieke hervormingen rond 1920 en in de jaren dertig, die ook in Indië – zoals in Brits-Indië en op de Filippijnen – tot een moderne koloniale staat met inspraak voor de bevolking hadden moeten leiden. Niet alleen deze generatie faalde, maar ook de generatie die in de jaren veertig de macht uitoefende. Haar roepingsbesef, het diepgewortelde idee als superieure westerling een taak te hebben in de kolonie, vertroebelde het zicht op de realiteit. Het besef van een taak in de archipel gold voor Van Mook, het gold voor zijn generatie. Daarin ligt de tragiek van de periode. Vanuit morele principes en hard werkend – de hoeveelheid geproduceerde stukken over Indië is indrukwekkend – weigerde Nederland afstand te nemen van zijn kolonie. De `Nederland-gidsland'-gedachte bleek uiteindelijk fataal.

Afscheid van Indië is een belangrijk boek over een belangrijk onderwerp. Het maakt het mogelijk – om het eerder genoemd citaat te parafraseren – als Nederlander anno 2000 zowel `onder feiten' als `onder principes' te leven. Betekent dat `de schaamte voorbij'? De inhoud van dit boek geeft daar geen aanleiding toe.

H.W. van den Doel: Afscheid van Indië. De val van het Nederlands imperium in Azië.

Prometheus, 419 blz. ƒ47,50