Er is maar één Johan

Door bescheidenheid werden de voormalige Vrij Nederland-journalisten Frans Oosterwijk en Jaap Visser niet gehinderd, toen ze een naam zochten voor hun nieuwe voetbalmaandblad. Deze week verscheen Johan voor het eerst. Johan? Die titel zou je eerder verwachten bij een stripblad dan bij een glossy voetbalmagazine, dat maar liefst 196 pagina's telt. Maar Oosterwijk en Visser hebben dan ook hoog ingezet, zij spiegelen zich met hun blad aan niemand minder dan Johan Cruijff zelf. De vroegere nummer 14 van Ajax en het Nederlands elftal zal daar zelf niet zo blij mee zijn, want het eerste nummer van Johan bevestigt slechts de gedachte dat er maar één echte Johan is.

Op zichzelf moet de verschijning van een blad dat zich nadrukkelijk afzet tegen de vulgarisering van de sportjournalistiek worden toegejuicht. Triest was het beeld van de schaamteloos netwerkende verslaggever van het commerciële blad Sportweek, die trots het nieuwste nummer aan spelers van het Nederlands elftal uitreikte. Een slijmspoor naar de mobieltjes van de vedetten garandeert nu eenmaal geen kritische, onafhankelijke journalistiek. En het aloude weekblad Voetbal International is tegenwoordig zelfs één van de sponsoren van de KNVB, daar mag dus wel een onafhankelijk voetbalblad tegenover staan.

Toch wordt de intellectualisering van het voetbal al voldoende bediend door het onvolprezen tijdschrift Hard Gras, dat de in Engeland reeds ingeburgerde literaire kijk op de voetbalsport introduceerde. Waarmee wil Johan zich dan onderscheiden?

Hoofdredacteur Frans Oosterwijk kroop bij de introductie van zijn blad in de huid van het orakel Johan Cruijff, maar helaas maakt het eerste nummer de ronkende zelfverheerlijking slechts mondjesmaat waar. ,,Johan is scherp, spits en geestig'', schrijft Oosterwijk in zijn voorwoord. ,,Een blad met zoveel noten op zijn zang moet wel Johan heten.''

Johan is namelijk ,,de ultieme kenner en liefhebber, kritisch, eigenwijs en razend nieuwsgierig. Hij heeft overal verstand van en trekt zich van niemand iets aan.'' Zou Oosterwijk hier dan toch de echte Johan bedoelen? Want waarom opent het blad met de zoveelste terugblik van Frank de Boer op zijn gemiste strafschoppen tegen Italië? Daar hebben we Johan toch niet voor nodig? Zo heeft het nieuwe maandblad wel meer geijkte keuzes gemaakt (een treurzang over het Duitse voetbal, een reportage over voetbal in Ierland, vader en zoon Maaskant), waarin het zich niet onderscheidt van dag- en weekbladen.

Helaas ontbreekt ook de ode aan de Amsterdamse grachtengordel niet in Johan. Zo moet de lezer van het eerste nummer zich door de prietpraat worstelen van dichteres Elly de Waard, die Pierre van Hooijdonk zo'n leuke jongen vindt. Johan volgt tevens de bedenkelijke columnistentrend, waarbij cabaretiers en schrijvers uit de B-categorie (Viggo Waas en Nanne Tepper) zouteloze observaties over voetbal aan het papier mogen toevertrouwen.

Desondanks zitten twee juweeltjes verborgen in 196 pagina's Johan met een overdaad aan servicerubrieken. Een prachtig geschreven verhaal over ,,Het Nieuwe Keepen'' van Chris Keulemans, die als doelman van de Amsterdamse amateurclub Arsenal al een leuk boek heeft uitgebracht en een mooi interview met de Britse voetbalverslaggever Brian Glanville. De auteur van diverse Engelse voetbalklassiekers gaf de hoofdredactie van Johan ongewild een advies mee voor de volgende nummers. ,,Voetbal is prachtig door zijn eenvoud en daar moet je verder niet moeilijk over doen.''