Een wereldhit graag

Voor Cats moesten er nog zingende dansers uit het buitenland geïmporteerd worden. Sinds Joop van den Ende in Nederland musicals produceert op internationaal niveau is dat anders.

Joop van den Ende komt binnen, kijkt even rond en hangt een foto recht. Zoals hij op een premièredag in het Circustheater in Scheveningen voor alle zekerheid zelf nog even de toiletten inspecteert, zo kan ook hier de kleinste oneffenheid hem niet ontgaan. Het kost hem zichtbaar moeite zich verder niet te bemoeien met de inrichting van de tentoonstelling Koopman in illusies, die vanaf morgen te zien is in het Theatermuseum in Amsterdam naar aanleiding van het dertigjarig bestaan van zijn theaterbedrijf. Hij ondergaat het initiatief van dit respectabele instituut weliswaar als een erkenning, maar is er niet aan gewend zoiets geheel aan anderen over te laten. De mensen van het museum zullen toch wel zien dat er ook nog een foto scheef hangt?

Omrankt door gordijnen van rood pluche bieden honderden scènefoto's, beschenen door boogspotjes, een feestelijk beeld van de meer dan honderd voorstellingen die Van den Ende in de loop der tijden heeft gemaakt. De allereerste, de revue Lach in de ruimte met André van Duin en Frans van Dusschoten, ging precies drie decennia geleden, op 1 september 1970, in première. Het producentenoeuvre wordt geïllustreerd door een overvloed aan foto's, affiches, programmaboekjes en attributen (het regieboek van Ko van Dijk bij de toneelvoorstelling Cyrano de Bergerac, het masker van Henk Poort uit de musical The Phantom of the Opera) en in de zithoekjes draaien videogesprekken die Willem Nijholt voerde met de vedetten Mary Dresselhuys, Simone Kleinsma, Stanley Burleson en André van Duin. Dit is, kortom, een tentoonstelling over klatergoud – en klatergoud is waar Joop van den Ende in excelleert.

Koopman in illusies, ja, hij vindt het een mooie titel. Hij verkoopt illusies, en tegelijk verwijst die koopman ook nog even naar Shakespeare.

En het is ook een mooi moment, juist nu hij uit het televisie-conglomeraat Endemol is gestapt om zich weer geheel aan zijn teruggekochte theaterbedrijf te wijden. Het is altijd onzin geweest, stipuleert hij, dat het theater hem liever was dan de televisie. Al was het maar omdat de tv-winst in de eerste jaren garant stond voor de investeringen in revues, toneelvoorstellingen en musicals. Maar zijn éérste liefde was het theater wel.

,,Wat op dertienjarige leeftijd erg veel indruk op mij heeft gemaakt'', zegt de grootste theaterproducent van Nederland, ,,waren de voorstellingen die Miek Stranger maakte bij het Amsterdams Jongeren Toneel. Zij was mijn eerste grote voorbeeld. We speelden alles na van toneelgroep Puck en de Haagse Comedie. De knecht van twee meesters, Cyrano, Jacht op een ponnie van Mies Bouhuys. Mijn basis was dus het toneel. Toen kwam ik via een vriendje te werken op het decor-atelier van de Nederlandse Opera. En ik kwam bij de Jozefgezellen, een katholieke arbeidersgezellenvereniging waar we cabaret-revuetjes gingen maken.

,,Mijn tweede grote voorbeeld, toen ik een jaar of zestien was, werd René Sleeswijk, de producent van de Snip & Snap-revues. Zoiets, in het lichte genre, wilde ik zelf gaan doen. Zo'n revue vond ik mooi en fijn. Als ik er nu aan terugdenk, wilde ik eigenlijk twee dingen: ik wilde iets betekenen in die theaterwereld en ik wou een eigen bedrijf, een living opbouwen in dat werk.''

André van Duin

Zo strategisch als de opbouw van zijn imperium achteraf lijkt, was het volgens Van den Ende in werkelijkheid niet. Maar het hielp natuurlijk wel mee, dat zijn revues met André van Duin samenvielen met het langzaam-maar-zekere afscheid van de Snip & Snap-revue, en dat zijn eerste toneelvoorstelling (Twee op de wip, met Jeroen Krabbé en Willeke Alberti) anno 1971 tot stand kwam, een jaar nadat de Actie Tomaat een omwenteling in het toneel bewerkstelligde. Voortaan liet het gesubsidieerde toneel de lichte stukken links liggen, evenals het bijbehorende sterrensysteem. De regisseur werd de ster, de namen van de acteurs stonden alfabetisch op het affiche. Het toneel dat zich op een breed publiek bleef richten, belandde vervolgens in de vrije sector.

Joop van den Ende is in die hoek lang niet de enige producent, maar wel een grote. ,,Ik geloof niet dat er alleen maar regisseurstoneel moet zijn'', zegt hij. ,,Ik geloof in een combinatie.'' Hij herkent die aanpak ook in Het Toneel Speelt, het ongesubsidieerde gezelschap van Hans Croiset, waarvan hij privé – en buiten beeld – sponsor is. ,,Ik doe dat uit bewondering, ik vind het heel moedig dat Hans daarmee begonnen is.''

Zelf maakt hij onvervalst sterrentoneel door publiekstrekkers als Ellen Vogel, John Kraaykamp en (vroeger) Mary Dresselhuys in de mooist mogelijke lijst te zetten. Het maken van een voorstelling begint voor hem dan ook bij de hoofdrolspelers; op hun lijf wordt een stuk gekozen, zij moeten kunnen schitteren. ,,Laatst zag ik de nieuwe film van Paul Verhoeven, met wie ik Spetters heb gemaakt, en na afloop hebben we het erover gehad dat het goed voor hem zou zijn om de special effects nu maar eens te laten rusten en weer terug te gaan naar de acteurs. Toen ik thuiskwam, zag ik Basic Instinct – ik zag Sharon Stone en Michael Douglas en ik zag voor de zoveelste keer het geheim van echte acteurs. Zij geven een rol iets bijzonders, en dat is waarop het publiek zich, net als ik, wil verheugen.''

En als het bestaande sterrenreservoir uitgeput raakt, maakt hij nieuwe. Ja, beaamt hij geestdriftig, hij zou graag eens werken met acteurs als Gijs Scholten van Asschat, Peter Blok en Carine Crutzen. ,,Maar hoe mooi Pleidooi ook was, toch bleef die serie steken bij het intellectuele deel van het publiek. Terwijl een man als Ko van Dijk bij alletwee bekend was: bij de intellectuelen en ook bij het grote publiek. Dat zou wat mij betreft ook voor zulke acteurs uit de Pleidooi-hoek moeten gelden. Je wilt toch voor iederéén spelen?''

Dat moet van twee kanten komen, legt hij uit. Wie bij hem een ster wil worden, dient bereid te zijn ook mee te werken aan de publicitaire eisen die zo'n vrije productie stelt: interviews met Henk van der Meyden van De Telegraaf en te gast in tv-programma's. ,,Parade maken'' noemt hij dat, met verwijzing naar de kermisbazen die van oudsher hun attracties vóór de tent lieten paraderen om de boeren, burgers en buitenlui te verleiden tot het kopen van een kaartje. Zo is het immers ook gegaan met de sterren uit zijn musicals. Toen hij negen jaar geleden Les Misérables opzette, waren spelers als Henk Poort, Ernst-Daniël Smid, Vera Mann en Pia Douwes nog onbekenden voor het grote publiek. Hij heeft toen zelfs nog alles op alles gezet om ervoor te zorgen dat Simone Kleinsma en Paul de Leeuw een paar maanden twee bijrolletjes hebben gespeeld, anders zag hij de kaartverkoop somber in.

Lenige dansers

De grootste verdienste van Joop van den Ende schuilt in die musicals, meer dan in de vrije toneelproducties. In beide genres wordt ook buiten hem om gewerkt, maar in de musicalsector heeft hij productionele en artistieke kwaliteiten gebracht die voordien in Nederland niet te zien waren. Toen theater Carré in 1987 zijn honderdjarig bestaan vierde met een eigen productie van de musical Cats, moest men driekwart van de lenige dansers en zangers uit het buitenland halen. In ons land was zulk gedisciplineerd dubbeltalent destijds dun gezaaid; wij kenden alleen de cabareteske klein-formaat-musicals van Annie Schmidt en Jos Brink.

Van den Ende was jaloers op het succes van Cats. En het bracht hem ertoe musicals te produceren op internationaal niveau. Hij schiep daarmee niet alleen een standaard, maar ook geregeld emplooi voor musical-artiesten en een technische infrastructuur. Het resultaat is dat ook veeleisende dansmusicals als Chicago en 42nd Street nu geheel door Nederlanders kunnen worden bezet.

Nu brengt zijn bedrijf, naast musicals in zijn vaste theaters in Scheveningen (Elisabeth) en Utrecht (Chicago), twee reizende musicalproducties per jaar uit: één grote die alleen in de twaalf grootste theaters van het land staat (dit seizoen 42nd Street) en een kleinere voorstelling voor de rest van het schouwburgcircuit (Rent, het musical-regiedebuut van Ivo van Hove). Daarnaast is Van den Ende sinds enkele jaren, via Amerikaanse en Engelse deelnemingen, een gerenommeerd coproducent van grote shows op Broadway en in Londen. Ook bezit hij intussen drie theaters in Duitsland. In één daarvan, het Colosseum in Essen, speelt Pia Douwes vanaf volgend jaar de titelrol van Elisabeth, een musical van Oostenrijkse makelij waarvan Van den Ende de internationale rechten heeft verworven.

Hij vertelt dat hij dezer dagen nog een gesprek van vele uren heeft gevoerd met de tekstdichter en de componist van Elisabeth om hun show voor de Duitse markt aantrekkelijker te maken: ,,Ik was er nog niet tevreden mee.'' Er worden scènes verplaatst en vervangen, en Sissi krijgt een nieuw lied. Want wat dat betreft is hij een producent naar traditionele show business-snit: niet alleen de baas van het spul, niet alleen de verkoper, maar bovenal ook een dramaturg met vergaande bevoegdheden. ,,Als ik dat niet deed, zou ik dit vak niet zo leuk vinden'', zegt hij.

Veel van zijn tijd steekt hij dan ook in de ontwikkeling van nieuw repertoire: ,,Ik probeer nog maar vier dagen per week te werken, maar ik kan de dag niet door als ik geen plannen mag maken.'' Zo is een theatermaker in New York met een groep spelers (`een kruising tussen de Dogtroep en het Cirque du Soleil') op kosten van Van den Ende doende een theatermusical te maken naar de film Hans Christian Andersen, waarin Danny Kaye ooit de Deense sprookjesschrijver speelde, terwijl Ad en Koen van Dijk, de makers van Cyrano en Joe, volgend voorjaar hun nieuwe productie Rex, naar Oedipus Rex, hopen te presenteren. ,,De achtste versie is er, nog twee of drie en dan zijn we klaar. Ik heb Mark Rietman voor de regie gevraagd. Hopelijk wordt het vernieuwend.''

Maar dat is nog lang niet alles: hij praat mee over musicalversies van Rooie Sien en Ciske de Rat, hij wil verder met het project Valentino dat deze zomer op klein formaat is uitgeprobeerd (`dat komt een keer terug') en hij is ook weer in gesprek over De drie musketiers, waarvan Seth Gaaikema en Klaas van Dijk al eens een bewerking maakten, die vervolgens op de plank belandde omdat Cyrano toen al een overvloed aan hoeden met pluimen te zien gaf.

Cyrano was, in 1993, zijn eerste poging om op Broadway door te breken met een show van Nederlands fabrikaat. De mislukking kostte 15 miljoen gulden, maar leverde wel de contacten op voor de coproducties waarbij hij nu betrokken is. Zo behoort ook de Amerikaanse succesmusical Titanic tot zijn pakket: ,,Die ga ik ook in Duitsland en Nederland brengen, maar ik wil wachten tot de film is uitgewerkt.''

De musical, met zijn samenvoeging van spel, zang, dans, muziek en betoverende theatereffecten, is zijn lievelingsgenre geworden. Als ergens de illusie hoogtij viert, is het daar. Nog één allesoverheersende ambitie houdt hem bezig: ,,Ik blijf het bestaande repertoire spelen, want ik voel me niets minder dan een operagezelschap of een klassiek orkest. Maar het maken van nieuwe musicals, die ook internationale mogelijkheden hebben, dat is een grote wens van mij – een wereldhit scoren.'' Hij zegt het zonder stemverheffing; het is gewoon iets dat op een keer gaat gebeuren.

Koopman in illusies, in het Theatermuseum, Amsterdam, t/m 4/6, inl. (020) 5513300.

Ik ga de Titanic-musical

in Duitsland en Nederland brengen