Een verleidelijke kunstenaarsweduwe

Tradities en conventies lapte ze aan haar laars om door het vuur te gaan voor de Stijlbeweging in het algemeen en Theo van Doesburg in het bijzonder. De biografie die haar nicht, de kunsthistorica Wies van Moorsel aan haar wijdt, belicht het avontuurlijke leven van Nelly van Doesburg in al zijn ongerijmdheden. Tijdens haar opleiding aan het Koninklijk Conservatorium in haar geboortestad Den Haag en een voortgezette studie bij de componist Willem Andriessen, leek het muzikale talent voor een succesvolle loopbaan als concertpianiste voorbestemd. In plaats van een dergelijke carrière te realiseren zorgde Nelly van Moorsel, fijnrooms opgevoed in een welgesteld gezin, op haar eenentwintigste voor een familieschandaal door er met een zestien jaar oudere kunstenaar vandoor te gaan. De schilder, architect, schrijver, dichter en uitgever Theo van Doesburg (1883-1931), een charismatisch vaatje buskruit, motor van de Stijlbeweging en Dada-propagandist, was toen nog getrouwd met zijn tweede vrouw, Lena Milius. Tussen de vertegenwoordigers van de Europese avant-gardekunst voelde Nelly zich als een vis in het water. Als pianiste optredend onder de naam Pétro van Doesburg, werd ze begin jaren twintig in Jena uitgeroepen tot `het onmisbare dadaïstische muziekinstrument van Europa'. In later jaren herontdekte ze het christelijk geloof en beleed ze het katholicisme met dezelfde voortvarendheid als voorheen de leer van Van Doesburg en de Stijlbeweging.

Niettemin verscheen ze op haar negenenzestigste in een diep gedecolleteerde Chanel-jurk op de vernissage van de grote Van Doesburgtentoonstelling in het Eindhovense van Abbemuseum (1968). Tevens stelde ze zich vierkant op achter de revolutie in Cuba, het maatschappij-kritisch toneel en de Amsterdamse Kabouterpartij. De biografe maakte `het zwarte schaap' van de familie gedurende de laatste vijftien jaar van haar leven mee en putte verder ondermeer uit archieven en Nelly's ongepubliceerde memoires.

Tante Nel

Tijdens een eerste ontmoeting, in 1960, in de fameuze, door Theo van Doesburg gebouwde atelierwoning in Meudon, trof ze haar zestigjarige `tante Nel' aan met een asblonde pruik, een laag uitgesneden blouse, een hese rokersstem, ongezouten meningen en een klaterende lach. Nelly beheerde het toen nog ongeordende Stijl-archief dat in die tijd steeds vaker door museumconservatoren, kunsthistorici, kunstenaars en architecten geraadpleegd werd. Reizen deed Nelly toen al minder. Gedurende de Biënnales in Venetië wipte ze nog wel eens aan in het, tevens als museum voor moderne kunst fungerende palazzo van haar oude vriendin Peggy Guggenheim, die een tijdlang door Nelly was geadviseerd bij aankopen voor haar verzameling. Verder ontwikkelde Nelly een hechte band met haar één jaar oudere zuster Lou, een gewezen non. Een gemeenschappelijk thema was natuurlijk hun geloofsbeleving, schrijft Wies van Moorsel.

Nelly ontmoette Theo van Doesburg, in de wandeling Does genoemd, voor het eerst in de zomer van 1920. Ze viel als een blok voor hem en zou ongeveer tien jaar met hem door het leven gaan. Gedurende het decennium-Van Doesburg hielden haar avonturen direct verband met de zijne. Het bevestigen en uitbreiden van zijn internationale contacten, tentoonstellingen, opdrachten en bezoeken aan vrienden, voerden de gedreven kunstenaar en zijn aantrekkelijke jonge vrouw half Europa door. Nelly genoot met volle teugen, zelfs van de knallende ruzies over artistieke principe-kwesties waar Van Doesburg het patent op had. `Doesje heeft ze weer eens flink de waarheid gezegd`, verkneukelde ze zich in een brief over een aanvaring van haar held met de oprichter van het Bauhaus in Weimar, de architect Walter Gropius. Does' uitgesproken kijk op de kunst en op het leven maakte Nelly tot de hare. Does stelde niet alleen Nelly's innerlijk maar ook haar uiterlijk bij. Als kapper was hij verantwoordelijk voor Nelly's moderne, jongensachtige kapsel, waarmee ze is te zien op de vele foto's van onder anderen Man Ray, die in de biografie zijn afgedrukt. Does zette haar eveneens op het spoor van de moderne muziek.

Tijdens de dada-veldtochten in het begin van de jaren twintig door Duitsland en Nederland, trok ze de aandacht met stukken van onder anderen Satie en Vittorio Rieti. Het spel van Pétro kenmerkte zich door een krachtige en ritmische aanslag die een dagblad-recensent vergeleek met `een kat die als een dolle over de pianotoetsen heen en weer holt'.

De vraag waarom Pétro van Doesburg na 1926 als pianiste niet meer in de openbaarheid trad, blijft onbeantwoord. Hoe belangrijk het voor haar bleef om de piano, liefst dagelijks, te bespelen, blijkt uit de briefwisseling met haar trouwe vriend, de dichter Anthony Kok. Hij stuurde geregeld geld uit Holland naar Parijs waarmee Nelly de huur van haar piano kon afbetalen. Toen Van Doesburg met wie ze twee jaar eerder alsnog officieel in het huwelijk was getreden, op 47-jarige leeftijd in Davos overleed was Nelly begin dertig. Ze had opnieuw als pianiste kunnen gaan optreden maar ze deed het niet. Een jaar na de dood van Does schreef Nelly aan vrienden: `ich finde nur trost, wenn ich mich mit seinen arbeiten beschäftigen kann'. `De boodschap van Does', de geliefde die nieuwe vergezichten voor haar had geopend, zou Nelly de rest van haar leven met verve uitdragen. In de kunstwereld gold ze al snel als een autoriteit op het gebied van de moderne abstracte kunst. Ze werd aangezocht om exposities te organiseren zoals die in het Parc des Expositions in Parijs, in 1932, waaraan zo'n zeventig avant-gardekunstenaars deelnamen onder wie Van Doesburg, Hans Arp, Sophie Tauber-Arp, Calder, Kupka, Mondriaan, Picabia en Prampolini. Nelly die zelf ook tijdje het penseel had gevoerd, droeg eveneens enkele werkjes bij onder haar schuilnaam P. Cupera. In Nederland wist ze, vier jaar later, Van Doesburg-tentoonstellingen van de grond te krijgen in Leiden, het Amsterdamse Stedelijk Museum en Eindhoven. Willem Sandberg, toen nog conservator, spijkerde ze bij over de nieuwste ontwikkelingen in de avant-gardekunst naar aanleiding van de expositie `Abstracte kunst'(1938) in het Amsterdamse Stedelijk Museum, die ze samen met hem organiseerde.

Na de Tweede Wereldoorlog zorgde Nelly ervoor dat Van Doesburg ook in Amerika als een belangrijke, twintigste-eeuwse kunstenaar op de kaart werd gezet. Ze was (mede-)organisatrice, in 1947, van een reeks tentoonstellingen in New York – in Peggy Guggenheims galerie `Art of this Century' – in Los Angeles, San Francisco, Seattle, Chicago en Cambridge Mass. Nelly leefde van activiteiten als de verkoop van kunstwerken en haar bemiddeling bij de levering van kunsttapijten aan Nelson Rockefeller.

In Amerika werd Nelly van Doesburg als een beroemdheid ontvangen. Peggy Guggenheim die Nellys overtocht betaald had, organiseerde in New York een party voor haar waarop meer dan honderd prominenten verschenen onder wie museumdirecteuren, architecten, componisten en oude kunstenaarsvrienden als Duchamp en Calder. Nelly werkte tijdens de twee jaar die ze in Amerika doorbracht ondermeer mee aan een catalogus voor de `Société Anonyme Museum of Modern Art', het befaamde particuliere museum dat in 1920 door Katherine Dreier, Marcel Duchamp en Man Ray was opgericht.

Nelly van Doesburg leefde niet alleen voor de kunst. `Als ik van iedere relatie een kind zou hebben, dan had ik nu elf kinderen en dan nog wel van elf verschillende nationaliteiten', bespiegelde ze haar liefdesleven. De verleidelijk ogende, excentrieke kunstenaarsweduwe had ondermeer een langdurige verhouding met de dertien jaar jongere ebbenhouten prins, Sourou Migan Apithy, afkomstig uit Dahomey, het huidige Benin, waarvan hij later president zou worden.

Thelonious Monk

Tijdens haar verblijf in New York was ze geregeld in Harlem te vinden, ondermeer in Minton Playhouse, waar ze marihuana rookte, jazz-muzikanten als Dizzy Gillespie en Thelonious Monk beluisterde en intieme contacten had met onder anderen de laatstgenoemde. `Difference between white and coloured men in sex life: negroes more polite and on a distance than white who wanted to `hurry up'', luidt een aantekening van Nelly. In New Yorks China Town zette ze haar erotische experimenten voort door spontaan in bed te duiken met ene William die barman was en bovendien `een pracht-Chinees'. In Chicago hernieuwde ze het contact met een oude bekende, de architect Mies van der Rohe, die haar prompt ten huwelijk vroeg. Nelly vond hem te oud.

Als Nelly mensen tegen zich in het harnas joeg was het door haar even rigoureuze als naïeve stellingname ten aanzien van kunst en politiek. Evenals Does lokte ze graag felle discussies uit. Zo verwoordde de katholieke filosoof Teilhard de Chardin volgens Nelly helemaal het ideaal van De Stijl. Van Doesburg die in de jaren dertig rooms-katholiek was geworden zou De Chardin dan ook `een reuzenman' hebben gevonden, liet ze de architect Van Eesteren in de jaren zestig herhaaldelijk weten. Het ging Van Eesteren te ver en, in 1969, meldde hij Nelly resoluut, God en de theologie in het geheel niet te willen betrekken op De Stijl. Het neemt niet weg dat de erkenning van de vooroorlogse abstracte kunst, de Stijlbeweging en Theo Van Doesburg, die zijn architectonische juweel in Meudon dankzij haar erfenis kon realiseren, voor een aanzienlijk deel te danken is aan de inzet van Nelly van Doesburg.

Wies van Moorsel: `De doorsnee is mij niet goed genoeg'. Nelly van Doesburg 1899-1975.

SUN, 304 blz. ƒ44,50