Een ridder is een beschaafde bruut

VROEGER WAS RIDDER een mooi beroep. Nu zijn het meestal verklede ruiters die, gehesen in een lichtmetalen harnas en wild zwaaiend met een knots, voor toeristen zorgvuldig ingestudeerde nepgevechten houden. Wie een betere indruk wil krijgen van hoe het écht was om ridder te zijn kan sinds kort terecht in het Legermuseum in Delft. Laat de tanks en de legermodepoppen staan voor later en stoom door naar de tentoonstelling Ridder Roderik, een middeleeuws avontuur. Die schotelt je cruciale taferelen voor uit het rijke ridderleven en het aardige is dat veel van de spullen die je ziet niet uit de verkleedkist komen maar werkelijk door ridders zijn gebruikt. Ook kun je je in Delft plechtig tot ridder laten slaan, en dat geldt ook voor meisjes.

Hoe werd je ridder? Om te beginnen moest je uit een adellijke familie stammen. Zodra je een jaar of acht was kon je je bij een kasteel of burcht aanbieden als schildknaap. Wie het tot ridder wilde schoppen moest sterk en behendig zijn, uithoudingsvermogen bezitten en moedig zijn uitgevallen. Verder moest je een heleboel leren. Paardrijden natuurlijk, en vechten met wapens, boogschieten en worstelen. Denk niet dat ridders rauwdouwers waren. Ook lezen en schrijven, zingen, dansen en schilderen en hoofse manieren stonden op het programma. Pas als je alles beheerste sloeg de koning je tot ridder.

Zijn wapenrusting kreeg de ridder aangemeten door de smid. Die stond in hoog aanzien want het maatwerk dat hij leverde besliste over leven en dood. Zwaar was het allemaal wel: een toernooihelm met kijkspleet woog alleen al zo'n 10 kilo. Het aantrekken van een harnas duurde wel een uur en het was dus zaak dat je de vijand lang van tevoren zag aankomen. Vechten deed de ridder met een kruisboog, zwaard, lans, hellebaard of dolk. Ook houten knotsen waren in trek, het liefst voorzien van ijzeren punten. Je snapt, de smid had soms heel wat uit te deuken.

Aanvankelijk viel in de middeleeuwen een stevig kasteel nauwelijks te vernielen. De belager kon proberen de poort te rammen, tunnels te graven of stenen als skippyballen tegen de muren te slingeren, vaak richtte het weinig uit en als je niet uitkeek kreeg je kokend water over je heen. Een belegering kon maanden duren en uithongeren was een beproefd recept. Pas toen het kanon zijn intrede deed, op het eind van de middeleeuwen, viel een muur fatsoenlijk in puin te schieten. Ridders raakten uit de tijd, zeker nadat ook het voetvolk vuurwapens kreeg.

Op de tentoonstelling in Delft kun je ook zelf wat doen. Er staan geheimzinnige kistjes waarin je een zwijnenhoektand voelt, je mag je eigen wapen ontwerpen en uitprinten, er zijn computerspellen die je laten zien wat er zoal gebeurt in een kasteel dat belegerd wordt en je mag een harnas aantrekken. Wees in gedachten een stoere bink die op toernooien of tijdens een jachtpartij de blits maakt, maar bedenk dat ook de middeleeuwse jonkvrouw geen bruut met spieren wou maar een beschaafde edelman die kon vechten én wist hoe je een dame het hof maakt.

Legermuseum, Korte Geer 1, Delft. Geopend: ma t/m vr 10-17u; za en zo 12-17u. Toegang: kinderen 4 t/m 12 jaar f 3,-. Volwassenen f 6,-.