Een monument voor eigen benen

Er zijn twee soorten wielersport. De metafysische versie, die van de grote romantiek, waar tempoversnellingen ervoor zorgen dat renners `kraken' of aan het elastiek komen te hangen, waar onoplettende kampioenen plots geveld worden door de `Man met de hamer'. En een ander soort wielrennen, de sport teruggebracht tot zijn lichamelijke essentie. Harder en langer fietsen dan goed is voor een mens en voortdurend fysiek ongemak, massages en eindeloze vermoeidheid.

Over die tweede soort wielrennen gaat Van Santander naar Santander. Brieven uit het peloton, het verrassend goede boek waarmee oud-wielrenner Peter Winnen deze zomer debuteert. Winnen gold als een intellectueeltje in de wielerwereld, schreef ooit gedichten en probeerde na zware bergetappes met een boek van F.B. Hotz weer een beetje tot rust te komen. Het boek bestaat uit fictieve brieven waarin hij verslag doet van de periode 1979-1983; zijn laatste jaren als amateurrenner en de eerste drie seizoenen bij de profs, de tijd waarin hij zijn grootste successen behaalde. Winnen houdt zich verre van de gebruikelijke verheerlijking van het Lijden op de fiets. Zo schrijft hij over de overwinning waarmee hij zijn naam vestigde: `Eerlijk gezegd, ik had er ook geen zin meer in. Gewoon afstappen en me verschuilen in de menigte, dat leek me nog de beste oplossing. Mijn spieren leken net verweerde touwen.'

Het boek draait om het lichaam van Peter Winnen: de verzorging ervan, met toegestane en niet toegestane middelen, de plotselinge krachten die het blijkt te bezitten of de algehele slapte waardoor het overvallen wordt. Hij geniet van het verblijf in een wereld waar een masseur, door even aan zijn benen te voelen, weet hoe de vlag erbij hangt. `Zeg me dat het niet waar is,' verzucht de verzorger als er weer eens te weinig tonus op Winnens spieren blijkt te zitten. Winnen raakt verzot op de platheid van het sportersleven. Hij schrijft dan ook plastisch, bijvoorbeeld over zijn koersbroek: `hoe voelt het ook alweer als het koel, ingevet zeemleer tegen je ballen trekt?'

Mooi ook is zijn beschrijving van de wijze waarop je al fietsend met een ingenieuze plastechniek je benen een beetje op kunt warmen.

Dat zijn sport een zaak van lichamelijkheid is, was Peter Winnen als scholier al duidelijk. Zijn vakkenpakket (Nederlands, Engels, Frans, Biologie, Aardrijkskunde en Wiskunde) wekte grote verbazing bij de decanen van de Havo, terwijl voor de jongen zelf de logica ervan als een paal boven water stond: Frans was de voertaal onder profwielrenners, biologie kon hem meer vertellen over zijn eigen fysiologie en aardrijkskunde zou onderweg ook nog wel van pas komen. Het enige dat eraan ontbrak, meende de jonge Winnen, was scheikunde, een vak waarvoor hij nooit aanleg had gehad. Niet dat hij veel kwijt wilde over zijn beroepsambities. `As het maar buute is', zei hij.

`Buute' is in het begin van het boek behoorlijk ver weg: de getalenteerde amateur Winnen doet mee aan een aantal wedstrijden in Oost-Europa, waar de `staatsamateurs' uit de Sovjet-Unie en de DDR de dienst uitmaken. Het levert mooie anekdoten op. Het is Winnens eerste kennismaking met het verschijnsel dat in de loop van het boek een steeds prominentere rol zal spelen: doping.

Peter Winnen heeft in interviews al eerder aangegeven geen uitzondering te zijn in het volgens hem grotendeels gedrogeerde wielerpeloton, daarmee de zwijgcode onder wielrenners en oud-renners negerend, vandaar dat hij er in Van Santander tot Santander tamelijk openhartig over is: van de eerste keer dat hij zich bij een Noord-Hollandse huisarts meldt tot zijn pogingen om bij de officiële dokter van de Tour de France dispensatie te krijgen voor het gebruik van een geneesmiddel dat op de lijst met verboden producten staat. Met ethiek heeft dopinggebruik niets te maken. Er is een lichaam dat zo goed mogelijk verzorgd moet worden en er is een reglement dat voorschrijft wat er wel en niet mag.

Dat verandert als eind jaren tachtig EPO zijn intrede doet in het peloton: `een nieuw dopingmiddel, en nu eens eentje dat echt werkte.' En levensgevaarlijk bovendien. Wat Winnen betreft is er wielrennen vóór en na EPO, want door dat middel deed de fietsende machine definitief zijn intrede en viel een groot deel van de onvoorspelbaarheid van de sport weg. `Om het verschil te zien tussen het zoeken naar elixers en het vinden van elixers hoeft er eigenlijk niet meer om het hardst gefietst te worden.' In de periode waarin EPO opkomt, stopt Winnen met wielrennen, geplaagd door een onwillig rechterbeen en jaren van relatief weinig succes. Vrolijk is het afscheid dan ook niet: `Arm lichaam in de spiegel, je bewoner wordt sentimenteel.' Nu heeft de bewoner van dat lichaam ook wel recht op een beetje sentiment. En op tevredenheid, want Van Santander tot Santander is een van de eerste wielerboeken die de fysieke essentie van de sport zelf – en niet die van de omstanders – bij de kladden grijpt: het is een waardig monument voor zijn eigen benen geworden.

Peter Winnen: Van Santander tot Santander. Brieven uit het peloton. Thomas Rap, 240 blz. ƒ34,90

Lichte cultuur