Een begraafplaats als slagveld

Begraafplaatsen – ze zeggen veel over de manier waarop een volk met zijn doden omgaat. En dat zegt weer iets over dat volk. Onze correspondenten bezoeken deze zomer een begraafplaats in hun land. Vandaag: Sarajevo.

In ieder dorp, in iedere stad, in iedere vallei of, gewoon, in de achtertuin liggen de doden hier begraven. Over de heuvels golft een zee van zerken. Meer dan tweehonderdduizend mensen zijn gestorven in de oorlog in Bosnië. Zelfs na hun dood is hun etnische afkomst, waar het vechten ten slotte om begon, af te lezen aan hun graven. De Bosnische moslims liggen onder witte puntige paaltjes, de Bosnische Serviërs liggen onder zwarte marmeren zerken en de Bosnische Kroaten, die liggen vooral in Kroatië, waar hun graven worden opgevrolijkt door gekleurde plastic grafkaarsen, hard blauw, fel rood of diep paars en in de vorm van een hart of een katholieke kerktoren.

Maar welke begraafplaats moet je bij zo'n groot aanbod kiezen? Ga je naar de rustplaats van de moslims even buiten Srebrenica? Na de val van de enclave, de moord op duizenden moslim-mannen en het vertrek van het Nederlandse bataljon Dutchbat hebben de Serviërs de verlaten huizen ingenomen. Vandaag de dag durft slechts een handvol moslims zich in Srebrenica te vertonen. De begraafplaats is dan ook grondig verwaarloosd; het gras en de distels zijn kniehoog tegen de witte grafstenen opgekropen.

Moet je dan de Servische begraafplaats bezoeken, op de weg van Srebrenica naar Bratunac, het stadje van waaruit de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic de aanval op de enclave leidde? Er lopen zo'n zeven Servische vrouwen rond, gekleed in het zwart met een doek over hun grijze haren, en hun handen schikken vaardig de bloemen op de graven van hun echtgenoten en zonen. Het zijn felgekleurde plastic bloemen, zoals je die hier overal ziet. In de hete zomers op de Balkan verdrogen ze niet, in de ijskoude winters bevriezen ze niet. En het graf ligt er toch altijd netjes bij.

Of ga je naar de begraafplaats van de moslims-strijders, in Sarajevo, met uitzicht op het openluchtzwembad van de Bosnische hoofdstad? Het zijn vooral de jaartallen die een schok teweegbrengen. De gestorvenen zijn geboren in 1967, 1970, 1973 en gestorven in 1993, 1994. De verjonging van de doden heeft ook gezorgd voor een andere manier van begraven; de oude zerk, een twintig centimeter hoog paaltje met daarop een bolvormige steen, heeft plaats gemaakt voor twee witte palen die tot borsthoogte reiken, een aan het hoofd- en een aan het voeteneinde. Hier en daar staan zelfs plastic bloemen in een vaas. ,,Maar zo moet het eigenlijk'', weet de jonge Diana en wijst op een oude zerk. ,,Groen, wit, blauw, zegt de Koran. Gras, steen en lucht.''

Of bezoek je de rustplaats die zelf een belangrijke rol in de oorlog heeft gespeeld? Die plaats bestaat, in Sarajevo. Het is de joodse begraafplaats. Hier vonden grote begrafenissen plaats, herinnert Mustafa Halvadzda zich. ,,Soms kwamen er wel tweeduizend mensen op af.'' Belangrijke begrafenissen ook.,,Van wetenschappers, artsen, schrijvers en andere intellectuelen.'' En hij kan het weten; hij woont al vanaf 1958 naast de joodse begraafplaats.

In 1985 was de begraafplaats vol en werd het stil. De joden werden voortaan aan de andere kant van Sarajevo begraven. Maar in het voorjaar van 1992 kwam er weer leven op de begraafplaats – al was het niet het soort leven waar Halvadzda op zat te wachten. Het Bosnisch-Servische leger stond op de top van de heuvel en daalde langzaam af, tot aan de eerste joodse graven.

Het beleg van Sarajevo was begonnen en de vuurlinie liep dwars over de joodse begraafplaats. De Bosnische Serviërs stonden heuvelopwaarts bij de eerste zerken, de Bosnische moslims hadden de zerken onderaan de heuvel en de doden lagen er, onwetend, tussen in.

Drie jaar zouden beide groepen op de begraafplaats vechten. Vaak lagen ze van achter de zerken op elkaar te schieten, dan waren de moslims maar zo'n drie grafstenen verwijderd van de Serviërs. Het eerste treffen, in dat voorjaar van 1992, zou de meeste slachtoffers in een keer eisen, weet Mustafa Halvadzda. Bij het ochtendgloren lagen er vijftien lijken tussen de zerken. Niemand durfde hen weg te halen, want de Serviërs hadden kwistig met mijnen lopen strooien. ,,Die lijken hebben daar wel een half jaar gelegen'', zegt Halvadzda, en hij knijpt demonstratief zijn neus dicht.

Soms was er een staakt-het-vuren. Dan kroop Mustafa Halvadzda uit de kelder om boodschappen te doen. Maar in de loop van de oorlogsjaren heeft hij toch wel zo'n vijftig lijken op de begraafplaats geteld. Het waren Bosnische moslims en Serviërs. Op een na. Voor hem hangt buiten, aan de muur die de begraafplaats omringt, een gedenksteen. ,,Jean Marc Carbonnel'' staat er geschreven, parachutist van het Franse infanteriebataljon nummer vier. Hij is gestorven op 19 augustus 1994, au service de la paix. Die vrede zou vijftien maanden later met het Akkoord van Dayton worden bezegeld.

De oorlog is al weer vijf jaar voorbij. Dat is aan de joodse begraafplaats niet te zien. De mijnen zijn weliswaar geruimd, maar de kapotte zerken met de honderden kogelinslagen liggen nog altijd achterover getuimeld in het gras. Geen mens vertoont zich op de rustplaats, alleen buurman Mustafa wandelt er wel eens over heen. Hij is bijna tachtig en nog gezond van lijf en leden, voor hem voorlopig geen doodskist, lacht-ie, maar hij heeft de leeftijd om zich te bezinnen. Nu plukt hij ongemakkelijk aan een geel-zwart lint. `Mijnen!' staat er op geschreven, maar hij gebruikt het om de takken van zijn fruitboompjes bij elkaar te binden.

De joodse gemeenschap in Sarajevo wil de begraafplaats deels herstellen. Twee maanden geleden zijn bouwvakkers begonnen met de reparatie van het bijgebouw, maar sinds een maand liggen de werkzaamheden weer stil, zegt Halvadzda. In het joods cultureel centrum zegt een van de aanwezigen dat de bouwvakkers verkeerde materialen gebruikten. En de zerken? Ach ja, oppert een ander, misschien moeten we die maar tot monument benoemen.