De veiligste kluizen van Indië

In de jaren vijftig was het stof voor een thriller: wat gebeurde er met de kunstvoor- werpen, sieraden en juwelen die tijdens en vlak na de Japanse bezetting in Nederlands-Indië verdwenen?

Nader onderzoek in Nederland naar wat er met kunstvoorwerpen, sieraden, juwelen en andere goederen die tijdens en vlak na de Japanse bezetting in Nederlands-Indië verdwenen zijn, is niet haalbaar. Er is te weinig archiefmateriaal voor handen. Dat concludeerde een onderzoekscommissie gisteren in een rapport aan minister E. Borst (VWS). Aanleiding zijn de claims van mensen die spullen aan de Japanners moesten afstaan en nooit teruggezien hebben. Nader archiefonderzoek in ondermeer Indonesië en Londen kan meer opleveren, aldus de commissie.

Nader archiefonderzoek, ook in Nederland, is zeker de moeit waard.

In 1946 werd weliswaar door het Nederlands-Indisch gouvernement de Commissie terugvoering Nederlands-Indische eigendommen (Comtieb) ingesteld, maar wie geen foto's of tekeningen had van de vermiste goederen, kon niet geholpen worden.

In zeker één geval staat vast dat de Japanners kunst- en sieraden gestolen hebben uit de kluizen van de `Pandhuisdienst'. Over die zaak, de affaire Nakamura publiceerde Joop van den Broek (1926-1997) een van de klassieke Nederlandse thrillers, Parels voor Nadra (Bruna, 1953). Het boek speelt in het na-oorlogse Djakarta. Zoals hoofdpersoon Lex van der Tuyn-Walema zegt, leken de kluizen in de Indische pandhuizen, een staatsinstelling, de `veiligste van heel Indonesië. [...] Maar toen we uit het kamp kwamen, waren ze leeg.' Hij ziet een Indische met zijn familie-parels, en gaat op zoek naar de leverancier van dat roofgoed. Hij komt uit bij de Japanse kolonel Noekamare en zijn moordlustige maîtresse.

In het Algemeen Rijksarchief te Den Haag, zijn de processtukken over deze Nakamura-zaak te vinden. Daarin staat de ware toedracht van de roof. In Nederlandse kranten is nooit eerder uit die stukken gepubliceerd. De Japanners hadden tijdens de bezetting de Pandhuisdienst overgenomen. In de pandhuizen lagen niet alleen de in pand gegeven goederen, ook de door de Japanners in beslaggenomen kunst, juwelen en boekencollecties van de geïnterneerde Nederlanders.

In augustus 1945 - in het turbulente machtsvacuüm na de oorlog - waren volgens de processtukken de Japanse stafofficieren luitenant-kolonel Akira Nomura en zijn ondergeschikte kapitein Hiroshi Nakamura betrokken bij het verduisteren van een grote hoeveelheid juwelen van (Indische) Nederlandse burgers. In mei 1946 begon een gerechtelijk onderzoek naar deze zaak. De bejaarde hoofdbeheerder van het pandhuis, dr. E.C. Berretty — hij was tijdens de Japanse bezetting gedegradeerd tot magazijnbediende — verklaarde dat eind augustus 1945 vlak voor sluitingstijd twee groen gekleurde auto's met onbekende Japanners, zoals later bleek onder leiding van kapitein Hiroshi Nakamura, bij het hoofdpandkantoor te Kramat arriveerden. Ze kwamen met de voormalige Japanse chef van het pandhuis Sinoda zijn afdeling binnen. Berretty kreeg de opdracht drie Lips-brandkasten en een ijzeren boekenkist, waarin gouden, zilveren en platina sieraden en briljanten waren opgeborgen open te maken. Hij schatte de waarde van deze kostbaarheden destijds op meer dan een miljoen gulden. Ze stopten de waardevolle voorwerpen, afkomstig van (Indische) Nederlanders die in de Japanse kampen waren geïnterneerd, in de meegebrachte koffers en reden weg.

Nakamura was thuisgekomen met tien volle koffers met gouden en zilveren sieraden in oorspronkelijke zakjes (van doorschijnend papier) en nog één koffer met bankbiljetten van de Javasche Bank. Hij vertelde zijn 29-jarige Hollandse maîtresse de kostbaarheden van het hoofdkantoor van de Pandhuisdienst te Batavia te hebben gekocht. Maar Nakamura had deze juwelen als zijnde `het Japansche nationale bezit' uit het pandhuis weggehaald. Hij selecteerde voor zichzelf de mooiste gouden en zilveren sieraden, die werden in een citybag en koffer naar de woning van een Chinese kennis aan het Pintoe Besi nr. 47b gebracht. Deze kostbaarheden werden in twee petroleumblikken en een metalen koffer gestopt en tijdens een donkere tropennacht in de tuin van de Chinese zakenman begraven. Ook schonk hij juwelen aan zijn Hollandse minnares. De overgebleven kostbaarheden werden in acht koffers naar de Japanse kolonel Nomura, de opdrachtgever van kapitein Nakamura, gebracht. Waarschijnlijk heeft hij dit materiaal op de zwarte markt gebracht dan wel omgesmolten.

De daders liepen tegen de lamp, doordat Nakamura's maîtresse haar mond niet kon houden. Over haar juwelen zei ze triomfantelijk tegen haar nicht: `Ik ben rijker dan de koningin'. Deze nicht speelde de informatie door aan de Nederlandse Militaire Inlichtingendienst, die contact opnam met het Britse militaire gezag. Twee Britse militairen en een Nederlandse inlichtingenofficier togen in maart 1946 naar het huis van de vrouw, aan de Villalaan in Batavia. De minnares van de inmiddels geïnterneerde Japanse officier Nakamura werd gedwongen de sleutels van de brandkast af te geven.

De Britten doorzochten het huis en namen alles van waarde mee, gouden juwelen, horloges, briljanten, dure japonnen en flessen parfum. De vrouw moest voor ondervraging mee naar het Brits-Indische hoofdkwartier. Pas nadat ze mishandeld was, vertelde ze waar de geroofde schat was. Haar ondervragers dwongen de Chinees de schat op te graven en zetten de maîtresse thuis af. De militairen deden zelf een greep in de kostbaarheden: ze stopten sieraden, goud, geld in kussenslopen. Ook de sous-chef van de militaire politie, een Britse majoor, kreeg een kistje sieraden.

De maîtresse van Nakamura diende een klacht in wegens mishandeling. De militairen werden opgepakt en, net als de maîtresse, gestraft. Kapitein Nakamura, die in de strafgevangenis Tjipinang in Batavia zat, kreeg in februari 1949 tien jaar cel voor plundering. Eind december 1949 droeg Nederland de soevereiniteit aan Indonesië over. Begin jaren vijftig werd Nakamura vrijgelaten en naar Japan gestuurd. Voor zover is na te gaan, zijn de restanten van de Nakamura-schat, waaronder veel waardevolle voorwerpen met een hoge emotionele waarde, nooit meer bij de rechtmatige Nederlandse eigenaren terechtgekomen.