De tijdgeest, dat ben ik

De Franse edelman en schrijver Chateaubriand haalde in zijn eentje de achttiende eeuw uit het slop, vond hijzelf. Zijn eigendunk was weergaloos en irritant, zeker omdat hij niet eens ongelijk had. Memoires van `de koning der egotisten'.

Moest ik in de nieuwe geschiedenis de meest beslissende en opwindende periode aanwijzen, dan koos ik zonder aarzelen de decennia rond 1800, toen in de Franse Revolutie en het Napoleontische Keizerrijk de moderne politiek voor het eerst haar gezicht liet zien, terwijl tegelijkertijd de Romantiek de moderne kunst en literatuur aankondigde.

In Frankrijk wordt dit woelige breukvlak door niemand beter belichaamd dan door François-René de Chateaubriand (1768-1848), schrijver en politicus ineen. Afstammend van Bretonse landadel en volwassen geworden tijdens de Revolutie, behoorde hij ook nog in een ander opzicht tot twee werelden. De geschiedenis van zijn tijd vergelijkt hij in zijn herinneringen met `de samenstroming van twee rivieren'. En hij vervolgt: `Ik heb mij gestort in hun woelige wateren, mij met weemoed verwijderend van de oude oever waar ik werd geboren, en vol verwachting zwemmend naar de onbekende kust waar de nieuwe generaties voet aan wal zouden zetten'.

Vlak na zijn dood in 1848 werden deze herinneringen als feuilleton gepubliceerd onder de ietwat morbide titel Mémoires d'Outre Tombe. In zijn nu verschenen vertaling heeft Frans van Woerden daar `Memoires van over het graf' van gemaakt. Het is alsof we een spook horen dat nog één keer zijn stem verheft, met geen ander doel dan `mijn eeuw te begraven', nadat alle andere `grote mannen' al zijn overleden.

Wie zou tegenwoordig zijn herinneringen op deze manier durven inleiden? Stendhal noemde Chateaubriand niet voor niets de `koning der egotisten'. In ronkend proza, maar altijd voorzien van levendige, karakteristieke details, geeft Chateaubriand `het hele epos van mijn tijdsgewricht' weer, het belang van zijn eigen rol daarbij zonder enige gêne onderstrepend.

Zijn Génie du Christianisme (1802) haalde naar eigen zeggen de achttiende eeuw `uit het slop' en deed haar `definitief een andere richting inslaan'. Aan zijn pamflet De Buonaparte et des Bourbons (1814) had Louis XVIII zelfs zijn `bestaan' te danken – toch alleen zijn bestaan als koning, mogen we aannemen. Over zijn politieke optreden in de eerste jaren van de Restauratie schrijft Chateaubriand zonder blikken of blozen: `Zo was ik op eigen kracht heer en meester van politiek Frankrijk geworden'. Niet minder vleiend is het oordeel over zijn eigen literaire kwaliteiten: `Niemand die zo goed als ik een hele wereld te voorschijn kan toveren, louter door het oproepen van de schimmen van het verleden'.

Het zou allemaal onuitstaanbaar ijdel en koket zijn, als het niet tegelijkertijd waar was. Niet helemáál misschien, de omstandigheden hebben soms een handje geholpen, maar dat Chateaubriands optreden meer dan eens van doorslaggevende betekenis is geweest, valt moeilijk te ontkennen. Ook de literaire lof die hij zichzelf toezwaait, is nauwelijks overdreven. Want zijn Mémoires hebben een beeldende kracht, die het verleden inderdaad levensgroot en vaak bigger than life op de pagina's doet herrijzen.

Of hij de beschreven gebeurtenissen zelf had meegemaakt, blijkt in de praktijk van ondergeschikt belang. `Daar lag Moskou, als een Europese prinses die, getooid met alle schatten van Azië, speciaal naar de grenzen van haar rijk was gevoerd voor haar bruiloft met Napoleon', lezen we bijvoorbeeld over Bonaparte's fatale veldtocht in Rusland, ook al had Chateaubriand in 1812 geen voet buiten Frankrijk gezet. Wat de herinnering hem niet kon bieden, werd zo nodig verschaft door andermans getuigenis en door zijn eigen poëtische verbeelding. Het resultaat blijft indrukwekkend.

Als schrijver en als politicus was Chateaubriand een visionaire romanticus, de eerste in Frankrijk, en dat maakte hem tot de geestelijke vader van Lamartine, Hugo, Vigny en al die andere romantici die op de Franse literatuur van de negentiende eeuw hun stempel hebben gedrukt. Als dichters en zelfbenoemde profeten gebruikten zij hun inzicht in het verleden om de Franse natie en, als dat zo uitkwam, de hele mensheid de weg naar de toekomst te wijzen. Chateaubriand was daarmee begonnen, toen zijn Génie du Christianisme het katholicisme opnieuw in de mode bracht, nadat het een eeuw lang door de Verlichtingsfilosofen als een achterlijke vorm van superstition in de hoek was geschopt.

Ook aan Chateaubriand waren de Lumières niet ongemerkt voorbij gegaan; in zijn Essai sur les révolutions (1797) is hij nog een van alle vroomheid verstoken scepticus. Pas de dood van zijn moeder zou hem – een jaar later – de ogen hebben geopend. Op haar sterfbed had zij als laatste wens uitgesproken dat haar zoon zou terugkeren tot het geloof van zijn vaderen, en in het voorwoord bij zijn rehabilitatie van het christendom vat Chateaubriand de gevolgen hiervan kernachtig samen met de woorden: `J'ai pleuré et j'ai cru'.

Zo makkelijk ging dat blijkbaar, al moet Chateaubriand in zijn Mémoires toegeven dat het succes van zijn boek niet alleen zíjn verdienste was geweest. `Het verscheen precies op het juiste ogenblik', schrijft hij. Terecht, want twee weken vóór publicatie had Napoleon met de paus het concordaat gesloten dat de tijdens de Revolutie verstoorde relaties tussen kerk en staat herstelde. In hoeverre enig opportunisme ook aan de conceptie ten grondslag heeft gelegen, moet in het midden blijven. Feit is wel dat Chateaubriand zijn vooral esthetische en politieke verdediging van het christendom altijd trouw is gebleven. Nog in de conclusie van zijn Mémoires prijst hij de christelijke religie aan als `de meest filosofische en meest rationele appreciatie van God en de schepping'.

Zijn politieke overtuigingen lijken op het eerste gezicht méér aan schommelingen onderhevig te zijn geweest. Afkerig van de hofkliek in Versailles (waar hij in 1787 was voorgesteld aan Louis XVI) had hij misschien meegedaan met de Franse Revolutie, ware het niet dat de gewelddadige excessen hem al meteen tegen de borst stuitten. De aanblik van het Parijse gepeupel dat de straten afschuimde met de hoofden van zijn slachtoffers op pieken gestoken, vond hij onverdraaglijk.

De moderne `barbaren' de rug toekerend, vertrok hij naar de `nobele' wildernis van Amerika teneinde daar een vaarroute naar het noordwesten te ontdekken. Aan dit avontuur, dat niet de gezochte vaarroute opleverde maar wèl de stof voor Attala en René (zijn twee grootste literaire successen), kwam een eind, toen hem het bericht bereikte van de mislukte vluchtpoging van de koninklijke familie.

Terug in Europa, sloot hij zich aan bij het emigrantenleger dat in het noordoosten van Frankrijk vergeefs de Revolutie bestreed, waarna een periode van ballingschap in Londen volgde. Het zou tot 1800 duren voordat hij weer voet op vaderlandse bodem zette. Deze terugkeer betekende het begin van zijn publieke optreden én het begin van zijn rivaliteit met Napoleon, die als een rode draad door de Mémoires d'Outre Tombe loopt. Al bij de beschrijving van zijn geboorte (tijdens een herfststorm, die prompt een `zinnebeeld van mijn levenslot' wordt genoemd) vermeldt hij in een noot dat Napoleon twee weken eerder het levenslicht had gezien. Alsof de natuur het had voorbeschikt dat zij met elkaar de degens zouden kruisen.

Wie niet beter weet zou op grond van de Mémoires kunnen denken dat niemand Napoleons gedachten meer in beslag heeft genomen dan Chateaubriand, die na de moord op de duc d'Enghien in 1804 een van de weinigen was die openlijk durfden te protesteren. In werkelijkheid hebben ze elkaar maar twee keer ontmoet en heeft hun titanenstrijd zich vooral in Chateaubriands verbeelding afgespeeld. Voor hem ging het om een strijd tussen het politieke en het literaire genie. Maar opmerkelijk is dat hij ook zijn tegenstander een `ontzaglijke verbeeldingskracht' toedicht. Op zijn manier was Bonaparte eveneens een `dichter' geweest, een bevestiging niet alleen van hun beider congenialiteit, maar ook van Chateaubriands overtuiging dat politiek en literatuur van oudsher bij elkaar hoorden.

Een ander gevolg van de al dan niet vermeende lotsverbondenheid is dat hij Napoleon nooit als een pure slechterik afschildert. Hoeveel kwalijke eigenschappen en harteloze misdaden hij ook opsomt, nooit blijken ze kwalijk en harteloos genoeg om Bonaparte zijn bewondering te ontzeggen. Hoe groter het formaat van de tegenstander, des te nobeler het verzet. Desondanks zal zelfverheffing, bij Chateaubriand zelden afwezig, niet het enige motief zijn geweest.

Wanneer hij in zijn herinneringen de Restauratie bereikt, lezen we: `Van Bonaparte en het Keizerrijk terugvallen in hetgeen erop is gevolgd, staat gelijk aan het vallen uit de werkelijkheid in het niets, van de top van een berg in een afgrond'. Napoleon had, hoe dan ook, de nationale grandeur bevorderd, en daarvan was na 1815 weinig meer te bespeuren. Het verleidt Chateaubriand zelfs tot een moment van bescheidenheid, want tot de `miniatuurmensjes' die na Napoleon het lot van de natie bestierden, behoorde hij ook zelf. Als Pair de France, als ambassadeur en een blauwe maandag als minister van Buitenlandse Zaken diende hij Louis XVIII en Charles X, om tenslotte opnieuw in de oppositiebanken te belanden aangezien de vrijheid, in zijn opvatting onverbrekelijk verbonden met een constitutionele monarchie, tijdens de Restauratie onvoldoende gewaarborgd bleek.

In Van Woerdens soepel leesbare vertaling, helaas niet meer dan een selectie die hooguit een derde van het geheel bestrijkt, komt de latere politieke carrière amper aan bod. Een te verdedigen keuze, omdat ook voor Chateaubriand zelf het hoogtepunt vóór die tijd ligt: in het Keizerrijk, in de Revolutie en in de jeugdjaren in Bretagne, die laten zien hoe hij als zoon van een strenge vader en een vrome moeder een zowel dromerige als realistische romanticus was geworden. De eenzelvigheid die hem van jongs af aan kenmerkte, had hem bovendien tot een gereserveerd man gemaakt: `Nimmer is het mij gelukt die terughoudendheid en inwendige eenzaamheid die me verhindert te spreken over wat me beroert, te overwinnen.'

Dat laatste komt ook tot uiting in de Mémoires, waarin voor intieme confidenties geen plaats blijkt te zijn. Wat heeft het voor zin, vraagt Chateaubriand zich af, om net als Rousseau beschamende bekentenissen te doen die iedereen zou kunnen doen? `Men moet de buitenwereld slechts tonen wat schoon is.' Over de talrijke buitenechtelijke escapades die zijn literaire en politieke roem begeleidden, komen we dan ook niets te weten, al is er wel een roerend portret van zijn belangrijkste geliefde Juliette Récamier, destijds de mooiste vrouw van Frankrijk – zonder dat erbij wordt verteld dat zij met de schrijver frequent het bed placht te delen.

In deze leemte wordt echter voorzien door Van Woerden, die tegelijk met zijn vertaling een korte biografische schets van Chateaubriand, Haal ik de eeuwigheid wel?, heeft gepubliceerd. Tal van maîtresses passeren de revue, maar ook in dit vlot, soms zelfs al te vlot geschreven levensverhaal speelt de latere politieke carrière geen rol van betekenis. Toch is die wel degelijk de moeite waard, omdat zij een verhelderend licht werpt op het pessimisme dat voortdurend als Wagneriaans leidmotief in de Mémoires opklinkt. `Ons hele leven zwerven we rond ons graf; de ziekten die we opdoen zijn evenzovele windvlagen die ons al of niet dichter bij de haven brengen', meent Chateaubriand. Altijd zit de `peilloze vergetelheid' ons `vlak op de hielen'.

Chateaubriand heeft in de Franse literatuur een typisch romantisch mal du siècle geïntroduceerd, volgens Van Woerden `een extatische toestand van onbevredigd verlangen dat zoekt naar iemand of iets om zich op te richten'. In de novelle René (1802) doet het voor het eerst van zich spreken. Maar ook de Mémoires zijn er niet van verstoken. Daar krijgt dit mal du siècle, afgezwakt tot een melancholisch besef van menselijke vanitas, vooral een politieke achtergrond. Achteraf moet Chateaubriand zich de vergeefsheid hebben gerealiseerd van zijn streven de morele leegte van de moderne tijd met een nieuwe religieuze én politieke zin te vullen.

Bij alle ijdelheid en egotisme was het hem óók ernst geweest. Net als Tocqueville zocht hij naar wegen om de aristocratische vrijheid van zijn jeugd een plaats te geven in de wereld van na de Franse Revolutie. Een terugkeer naar het verleden achtte hij onmogelijk. Wat hij wilde was het beste van twee werelden, maar de sprong naar de democratie heeft hij als verstokt edelman niet kunnen maken. Het tekent de hoogte van zijn visionaire blik, dat hij in de revolutie van 1830 (die een eind maakte aan het Bourbon-regime en de `burgerkoning' Louis-Philippe aan de troon hielp) slechts een rimpeling zag die de in 1789 begonnen omwenteling hooguit kon voltooien, zij 't op een manier die hem niet aanstond.

Daarom legde hij in december 1830 al zijn politieke functies neer, een erezaak, want door de zijde van de verdreven Bourbons te kiezen bewees hij zijn trouw aan een dynastie die hem in feite had teleurgesteld. Een andere keuze meende hij niet te hebben, omdat de overige – republikeinse, utopische – alternatieven die zich na 1830 aandienden hem zo mogelijk nog minder bevielen. Daarin werd slechts `de christelijke gedachte op haar kop gezet' en kondigde zich de `allergeduchtste afgoderij' aan, `namelijk die van de mens voor zichzelf'.

Chateaubriand hield zich liever aan het oorspronkelijke christendom. In 1802 had hij getracht het met esthetische en politieke argumenten in ere te herstellen. Nu, tegen het eind van zijn leven, bleek het de enige plek te zijn waar hij zich nog kon thuisvoelen – alvorens, zoals het in de laatste regels van zijn Mémoires met ongebroken pathos wordt uitgedrukt, neer te dalen in het graf, `de crucifix in de hand, de eeuwigheid tegemoet'.

François-René de Chateaubriand: Memoires van over het graf.

Vertaald, ingeleid en van noten voorzien door Frans van Woerden.

Meulenhoff, 400 blz. ƒ49,50

Frans van Woerden: Haal ik de eeuwigheid wel? Biografie van François-René de Chateaubriand.

Meulenhoff, 176 blz. ƒ39,50