De tegenpaus van Pasternak

Begin oktober wordt de eerste Nobelprijs voor literatuur van de nieuwe eeuw uitgereikt. Niet alle eerdere winnaars zijn bekend gebleven. Het Cultureel Supplement haalt zes schrijvers uit het vergeetboek. Vandaag deel 2: Michail Sjolochov.

De Russische schrijver Michail Sjolochov beleefde zijn finest hour in de zomer van 1959. Op zondag 30 augustus van dat jaar kreeg hij bezoek van de Russische leider Nikita Chroetsjov en zijn vrouw, die om Sjolochov te bezoeken, helemaal naar diens woonplaats Wesjensk, een dorpje bij Rostov waren gereisd. Sjolochov is op dat moment verreweg de populairste schrijver van Rusland. Hij wordt als de Tolstoj van zijn tijd beschouwd en van zijn epos De stille Don zijn vele tienduizenden exemplaren verkocht. Chroetsjov zal dan ook ongetwijfeld de troosteloze passages hebben gekend die Sjolochov aan zijn geboortedorp had gewijd. ,,De nederzetting Wesjensk ligt op een gele zandvlakte en maakt, daar er helemaal geen tuinen zijn, een troosteloze indruk'' schreef hij in 1928. ,,Op het plein verheft zich een oude, in de loop der eeuwen grauw geworden kerk, terwijl de zes straten die de plaats doorsnijden evenwijdig lopen met de Don.''

Na aankomst van de Chroetsjovs in Wesjensk maken de families eerst een tochtje over Sjolochovs veelbezongen rivier, om daarna naar het locale Huis van Cultuur te vertrekken. Daar heeft zich een kleine menigte verzameld, die portretten van Chroetsjov omhoog houdt. De Sovjet-leider beklimt het spreekgestoelte en kondigt voor het oog van de dorpelingen aan, dat hun beroemde plaatsgenoot officieel is uitgenodigd Chroetsjov te vergezellen op een staatsbezoek naar de Verenigde Staten. Hoe Sjolochov op de uitnodiging gereageerd heeft, is niet bekend, maar wie foto's van hem kent, ziet hem meteen voor zich, een vriendelijk opa die onverwacht een lintje krijgt, een blik van nederigheid en dankbaarheid boven zijn kolonelssnor.

Chroetsjovs uitnodiging kwam niet uit de lucht vallen – er diende iets hersteld te worden. Een jaar eerder, in 1958, had de dissidente Russische schrijver Boris Pasternak de Nobelprijs voor literatuur toegekend gekregen. Dit tot woede van de Russische autoriteiten die daarmee Sjolochov, hun officiële kandidaat, door de Zweedse academie zagen genegeerd. En dus werd er een ware hetze tegen Pasternak georganiseerd. ,,Wie met zwijnen werkt, weet dat een der eigenaardigheden van deze dieren is dat ze de plaats waar ze eten en slapen niet bevuilen. Daarom mag men zeggen, indien men Pasternak met een zwijn vergelijkt dat een varken nooit zal doen wat hij heeft gedaan'', aldus de toenmalige secretaris-generaal van de Komsomol. Later is deze uitspraak nogal eens aan Sjolochov toegeschreven, maar daar is geen bewijs voor te vinden. Feit is wel dat Sjolochov Pasternak `een dichter voor oude vrijsters', noemde, en, in verkapte bewoordingen, een `landverrader'. Mede onder druk van deze beledigingen besloot Pasternak de prijs die hij aanvankelijk blij-verbaasd had aanvaard, alsnog te weigeren.

Wel laat

Als beloning voor Sjolochovs loyale opstelling werd de lobby te zijner gunst vanaf 1959 alleen maar sterker – de Sovjet-autoriteiten riepen hem definitief uit tot `tegenpaus' van de verfoeide Pasternak. De reis naar Amerika was dan ook ongetwijfeld een verkapte promotietoernee. En die had succes, maar de glans was eraf. Toen Sjolochov uiteindelijk in 1965 de Nobelprijs voor literatuur kreeg toegekend reageerde hij blij, maar gelaten. ,,Ik lachte, zuchtte even en vond dat het wat laat was'', werd er opgetekend uit zijn mond.

Op grond van zijn levenshouding en zijn werk is het verleidelijk om Sjolochov te beschouwen als een soort Russische J.C. Bloem. Een emotioneel kunstenaar, die zich uit romantische overwegingen tot een totalitaire politiek bekeert en door diezelfde blik niet meer beseft welke nadelen er kleven aan zo'n regime. Dat Sjolochov een romanticus was, wordt meer dan duidelijk uit De stille Don, zijn hoofdwerk dat tussen 1928 en 1940 in vier delen verscheen. Dit boek, in vertaling meer dan 1600 bladzijden dik, behandelt de geschiedenis van de Donkozakken tijdens de Eerste Wereldoorlog, aan de hand van de familie Melechov, in het bijzonder zoon Gregori, die in de oorlog heen en weer zwalkt tussen het `rode' en het `witte' kamp. De stille Don, staat vol met grote emoties waaruit niet alleen Sjolochovs liefde blijkt voor zijn geboortestreek aan de oevers van de Don, maar ook dat de schrijver een goed oog had voor het menselijk drama, dat hij graag stevig aanzet. In retrospectief heeft De stille Don daardoor wel iets van een barokke soap, inclusief gruwelijke veldslagen, ongewenste kinderen, `handen als kolenschoppen' en `gloeiend roode wangen'. In zijn gloriedagen werd Sjolochov vaak met Tolstoj vergeleken, maar wie zijn epos nu leest merkt dat De stille Don het wat gelaagdheid en subtiliteit betreft ruimschoots bij Tolstojs werk moet afleggen.

Dat gebrek aan subtiliteit werd ook steeds duidelijker in Sjolochovs maatschappelijke engagement. Was hij in de jaren dertig nog een zwijgend lid van de communistische partij die de zuiveringen van Stalin gelaten aanzag, in de jaren vijftig groeide Sjolochov uit tot een hartstochtelijk pleitbezorger voor het communistische regime. Hij werd lid van het Centraal Comité van de Opperste Sovjet (waarin hij gelijktijdig werd beëdigd met onder anderen Joeri Gagarin) kreeg een Leninorde en werd uitgeroepen tot Held van de Socialistische Arbeid. In 1970 omschreef hij de jaren dertig dan ook ineens als `een periode van grote geestelijke opbloei' en stelde hij dat de rol van Stalin in de oorlog niet gekleineerd mocht worden ,,in de eerste plaats omdat dat niet eerlijk is, en verder omdat het schadelijk is voor het land, voor de Russen.''

Spijtig genoeg voor Sjolochov was de kwaliteit van zijn literaire werk omgekeerd evenredig aan zijn politieke invloed. Nieuwe titels als Nieuw land onder de ploeg en Zij vochten voor hun land verkochten goed in Rusland, maar hadden niet meer de impact van De stille Don. Michail Sjolochov had zich door de Russische autoriteiten laten inkapselen, en was een communistisch boegbeeld geworden, dat als schrijver steeds minder serieus werd genomen.

Het moet daarom extra pijnlijk zijn geweest toen Sjolochov in 1974 onverwacht een grote aanval te verduren kreeg. Zijn populariteit was al tanende, toen Alexander Solzjenitsin vanuit Zürich plotseling met de beschuldiging kwam dat Sjolochov De stille Don niet zelf had geschreven. Volgens Solzjenitsin, die werd gesteund door Roy Medvedev en zich baseerde op een anonieme, inmiddels overleden schrijver D., was De stille Don van de hand van Fedor Krjoekov, een oud Doema-lid en oude Donkozak, die in 1920 aan tyfus was overleden. En hoewel Solzjenitzin nauwelijks harde feiten had voor zijn beschuldiging betekende die een klap voor Sjolochovs toch al tanende populariteit. Toen Michail Sjolochov in 1984 stierf was hij buiten Rusland zo goed als vergeten.