De gotiek is uitgegruweld

In zijn vorige roman, Asylum, lukte het de Engels-Amerikaanse schrijver Patrick McGrath om zijn befaamde neo-gotische gevoel voor horror in dienst te stellen van een min of meer realistisch verhaal over een verschrikkelijke liefde: vrouw van arts voor geesteszieken valt voor psychopathische moordenaar. Beklemmend en ontroerend was die roman, juist omdat McGrath zijn stijl ontdaan leek te hebben van de al te opzichtige literaire pastiche-elementen uit zijn eerdere werk, zonder zijn thema's (het isolement van de menselijke geest, de wanhopige waan die voortkomt uit onderdrukte verlangens en verdriet) ontrouw te worden. Asylum, in het Nederlands ongelukkig vertaald als Het gesticht, was een mooi boek dat ook nog iets beloofde: mijn geliefde cult-auteur McGrath kreeg plotseling de contouren van een groot schrijver, en daar zijn er in Engeland op dit moment niet veel van.

Daarom is het even slikken wanneer je Martha Peake openslaat, zijn nieuwe roman. Op de eerste bladzijden al begeeft McGrath zich opnieuw vol overgave in het rijk van de gotische pastiche: Ambrose Tree, een aanvankelijk kleurloos verteller, reist rond 1820 naar het spookachtige Drogo Hall, waar een oom van hem op de dood wacht. Ambrose hoopt Drogo Hall te erven, maar wordt al snel in beslag genomen door een figuur op een schilderij dat boven het hoofd van zijn monkelende oom hangt, waarop het monster van Cripplegate staat afgebeeld: de misvormde dichter en dronkelap Harry Peake.

Het recept is bekend, flakkerende kaarsen, klapperende vensters, hol klinkende voetstappen en de stem van de oom die het gruwelijke verhaal vertelt van Harry en zijn lievelingsdochter, de door liefde en wanhoop voortgedreven Martha, die zich heeft ontpopt als heldin van de Amerikaanse revolutie.

Harry Peake is een typisch McGrath-personage: een man die grotesk getekend is door wat hij op zijn geweten heeft. Hij is een smokkelaar aan de kust van Cornwall, die dronken een brand veroorzaakt waarbij zijn vrouw omkomt en hij zijn rug op heel veel plekken breekt. Hij overleeft het en in een poging tot boetedoening verhuurt hij zich in de kroegen van Londen als kermisattractie. Zijn afschrikwekkende ruggengraat voorziet in zijn levensonderhoud en dat van zijn dochter. Hij trekt de aandacht van Lord Drogo, een sinistere amateur-anatoom, die in de kelder van zijn landhuis verse lijken ontleedt ter meerdere glorie van de medische wetenschap. Maar zijn schuldgevoel slaat ook op zijn geest. Peake drinkt, wordt gek en keert zich tegen zijn dochter. Op een avond, tijdens een ontmoeting op een kerkhof, verkracht hij haar. Met behulp van de oom van de verteller vlucht ze naar Amerika.

Natuurlijk zet McGrath het recept naar zijn hand; zijn specialiteit is de onbetrouwbare verteller. De twee verhalen van zijn roman werken op elkaar in. Het is de neef die het relaas van zijn oom opschrijft, maar al snel begint hij te twijfelen aan diens oprechtheid. Heeft hij een geheime agenda, heeft hij samen met Lord Drogo Harry Peake vermoord om zijn ruggengraat bij te zetten in hun anatomische rariteitenkabinet? En het duurt niet lang of de lezer begint ook zijn twijfels te krijgen over het waarheidsgehalte van wat hem door de verteller zelf wordt meegedeeld. Die raakt geobsedeerd door het verhaal van zijn oom over de manier waarop Martha zich een plaatsje verwerft in een puriteinse gemeenschap aan de kust van New England en er zelfs in slaagt het kind van haar vader in een handig huwelijk met de zoon des huizes onder te brengen. Hij begint zelf dingen aan te vullen, scènes te verzinnen. Wanneer hij ook nog bevangen raakt door moeraskoorts, slaat zijn verbeelding op hol. Maar de ultieme onthulling, namelijk hoe hij zelf past in dit verhaal over waanzin, geweld en incest, gaat tot aan het eind aan hem voorbij.

McGrath laat zijn verteller op zijn zoektocht naar de waarheid mooi ten prooi vallen aan zelfbedrog. En opnieuw weet hij alle horror menselijk te maken: de figuur van Harry Peake moet in al zijn verschrikking vooral deernis oproepen.

Waarom deed de roman me dan zo weinig? Omdat Martha Peake, ondanks al McGraths eigenzinnigheid, toch te veel een invuloefening is geworden. De dubbele afstand van een verteller die het verhaal van zijn oom aanhoort, geeft de schrijver weliswaar de kans zijn boosaardige spel met de waarheid te spelen, maar het verhindert hem ook zijn belangrijkste personages werkelijk leven in te blazen. Martha Peake blijft een schim. En de literaire pastiche, de gotische scènes in Drogo Hall, de taferelen uit de Amerikaanse revolutie met zijn stugge vrijheidsstrijders en heldhaftige vrouwen, het staat allemaal recht overeind, maar het is uiteindelijk te veel bekend decor. Alles gebeurt min of meer zoals je het je voorstelt.

Anders dan in zijn vroege werk slaagt McGrath er in Martha Peake nauwelijks is de sfeer van zijn unheimliche voorgangers Poe, Mary Shelley en Hawthorne tot iets van zichzelf te maken, waardoor hij gevaarlijk dicht in de buurt komt van het literaire cliché. Die sleetsheid probeert hij weg te poetsen door zijn vloeiende stijl nog sneller te laten stromen, de mooie, soepele zinnen rijgen zich schijnbaar moeiteloos aaneen, maar wat ze willen oproepen, blijft betrekkelijk levenloos.

Slechts af en toe zie je een glimp van zijn eigenzinnige schrijverschap met oog voor het tragische in wat op het eerste gezicht alleen maar bizar lijkt, bijvoorbeeld wanneer hij de transparante schoonheid van Harry Peake's kronkelende rugwervels beschrijft, of in de pijnlijke verkrachtingsscène op het kerkhof. Het doet je hopen dat McGrath in een volgende roman zijn wonderlijke verbeeldingskracht weer op een navoelbare werkelijkheid zal loslaten.

Patrick McGrath: Martha Peake; A Novel of the Revolution.

Viking, 340 blz. ƒ49,95.

De Nederlandse vertaling verschijnt januari 2001 bij Prometheus.

Buitenlandse literatuur