Olympisch gehannes

Nimmer is er in de ruim honderd jaar van de olympische geschiedenis zo gehannest over het maken van de olympische film als in 1928, toen Amsterdam de Spelen organiseerde. En het slot van alle ruzie was dat het product in vrijwel alle landen ter wereld in de bioscoop te zien was, behalve in Nederland. Voor wie de Spelen niet kon bijwonen, was film de enige manier waarop men destijds kennis kon nemen van het evenement. En het bizarre was dat buitenlanders meer van de Spelen konden zien dan het gros van de Nederlanders.

In de zomer van 1927 waren de schermutselingen over de olympische film begonnen. De Nederlandse Bioscoopbond, die ook de belangen behartigde van de vaderlandse filmfabrikanten, zocht contact met het Nederlands Olympisch Comité (NOC). Wat de bond beoogde was het alleenrecht op het maken van de film. Bovendien wilde de bond niet meer betalen dan de milde rechten die voor fotopersbureaus golden. Het NOC ging daarmee niet akkoord. Het vond die zaken niet van gelijke grootte. Bovendien wilde het comité de buitenlandse filmindustrie niet geheel uitschakelen: ,,De Spelen zijn tenslotte een internationaal evenement.''

Er speelde nog iets anders, maar dat bleek pas uit het Officieel Gedenkboek van de Spelen dat in 1930 verscheen. Het NOC had zijn licht opgestoken bij ,,een der leiders van een der voornaamste filmfabrieken hier te lande'' en die had gezegd ,,dat in Nederland geen fabriek bestond kapitaalkrachtig genoeg om het cinematografisch object te financieren.''

De kwestie leek opgelost toen het NOC eind 1927 een contract kon sluiten met de Olympia Film Aktien Gesellschaft (OFA), een Zwitsers-Duits-Amerikaanse combinatie die ook de Winterspelen van 1928 in St. Moritz zou filmen. Deze bood 150.000 gulden voor de rechten en het NOC dacht daarmee een goede slag te slaan. Maar in maart 1928 viel de OFA door financiële perikelen uit elkaar. Daar stond het NOC: nog altijd geen bedrijf dat de film zou maken. De tijd begon te dringen: in mei zou het olympisch hockeytoernooi beginnen.

Weer kwamen er besprekingen tussen de Bioscoopbond en het NOC. De bond zou ook een bepaald percentage van de nettowinst afdragen. Maar voor het NOC was dat niet genoeg. Doordat de rijksoverheid geen cent in de Spelen wilde steken, moest het hele olympische project met private middelen worden bekostigd. Het NOC wilde daarom meteen geld zien. Dat weigerde de bond.

Toen er al aan getwijfeld werd of er überhaupt wel een olympische film gemaakt moest worden, bleek het NOC een contract te kunnen sluiten met het in Rome gevestigde filmbedrijf LUCE. Uiteraard kon het Olympisch Comité zo kort voor de Spelen niet te veel eisen. Financieel haalde het contract het niet bij dat met de OFA. (Volgens het gedenkboek inde het NOC voor de rechten een kleine 38.000 gulden).

LUCE kende de trammelant en besloot een royaal gebaar te maken. Zij boden de Bioscoopbond de rechten ,,voor Nederland en Koloniën'' aan voor het symbolische bedrag van één gulden. Dan konden de Nederlandse producenten hun eigen olympische film maken. Het NOC vond het best.

Je zou denken: een mooie oplossing, iedereen gelukkig. Maar nee. De Bioscoopbond voelde zich gekrenkt door de gedragswijze van het NOC. De Bond eiste dat het NOC mede het contract tussen LUCE en Bioscoopbond zou ondertekenen. En dat weigerde het NOC. Het had de zaken afgehandeld met LUCE en vond dat het met afspraken tussen de Bioscoopbond en de Italianen verder niets te maken had. Daarop zag de Bioscoopbond af van het aanbod van LUCE. Uit woede verbood de bond alle Nederlandse bioscopen de olympische film te vertonen.

En zo ontgingen miljoenen Nederlanders de fascinerende hoogtepunten van de Spelen zoals LUCE ze had vastgelegd: de plechtige opening door prins Hendrik, de schitterende voetbalfinale Uruguay-Argentinië, de spannende duels die de Finse atleten Nurmi en Ritola uitvochten op de 5 en 10 km, de uitgebreide reportage van de marathonloop langs de Amstel, het olympisch debuut van de vrouwen-atletiek, het fenomenale schoonspringen van de Amerikaan Desjardins, de roeiwedstrijden op het watertje van Sloten, het zeilen op de Zuiderzee en van de Nederlandse successen: de overwinningen van de zwemster Marie (`Zus') Braun, heftig aangemoedigd door haar moeder/trainster, de bokser Bep van Klaveren, de ruiterequipe en de vrouwengymnastiekploeg.