JEZUS IN FILMS

De geschiedenis van de verbeelding van Jezus Christus in film is ook een geschiedenis van censuur en protest. Zolang Jezus geportretteerd werd volgens de klassieke richtlijnen – als een figuur met een gelukzalige glimlach – was er weinig aan de hand.

In de Hollywoodse bijbelspektakels King of Kings (Nicholas Ray, 1961) of The Greatest Story Ever Told (George Stevens, 1965) beantwoordden respectievelijk Jeffrey Hunter en Max von Sydow keurig aan de officiële opvattingen.

Ook de hippie Ted Neeley in de musical Jesus Christ Superstar (Norman Jewison, 1973) kon de goedkeuring van de diverse kerkgenootschappen wegdragen, omdat op dat moment de opvatting in zwang was dat Jezus eigenlijk een rebel was geweest, en een toffe vogel. De laatste ouderwetse bidprentjesfilm was de oorspronkelijk als televisieserie bedoelde productie La vita di Gesu'/Jesus of Nazareth (Franco Zeffirelli, 1978), met de Engelse acteur Robert Powell als de zoon van God.

In al deze films werd Jezus vertolkt door acteurs, die je niet echt sterren kunt noemen. Uiteraard was die keuze een vorm van discretie, maar er is ook wel beweerd dat elke acteur die Jezus in een film heeft gespeeld, daar in de rest van zijn carrière weinig baat bij had, alsof niemand hem meer een andere rol dorst te geven.

Interessanter zijn de Jezus-films, die de moed hadden om de gangbare opvattingen over het evangelie te becommentariëren. De storm van protest over de verfilming van Nikos Kazantzakis' roman The Last Temptation of Christ (Martin Scorsese, 1988) overtrof verre de ophef over de verschijning van het boek, en van een eerdere Franse verfilming. Willem Dafoe speelde de Jezus die zijn roeping verzaakt om mens te worden.

De Italiaanse regering nam aanvankelijk Pier Paolo Pasolini's La ricotta (1963, een episode in de omnibusfilm RoGoPaG) in beslag, omdat de aan indigestie stervende figurant aan het kruis in een door Orson Welles geregisseerde fictieve Jezus-film als godslasterlijk werd beschouwd. Drie jaar later verzekerde Pasolini zich tevoren van de steun van het Vaticaan voor zijn realistische, door niet-professionele acteurs gespeelde visie op Il vangelo secondo Matteo (Het evangelie volgens Mattheüs).

Ook veel woede wekte de satire Monty Python's Life of Brian (Terry Jones, 1979), waarin Graham Chapman de profeet `Brian genaamd Brian' speelde, maar iedereen zich vooral de opportunistische koopman van Eric Idle herinnert, die aan het kruis Always look on the bright side of life zingt en fluit.

Talloos zijn de impliciete verwijzingen naar het lijdensverhaal in films, vooral bij ex-seminarist Scorsese, die zijn laatste film Bringing Out the Dead (1999) eindigt met een directe replica van een pietà. In Krzystof Kieslowski's televisieserie naar de Tien Geboden Dekalog (1988) loopt in elke aflevering dezelfde figurant voorbij, en het valt niet moeilijk te raden wie hij is.

Het kan zelfs geen toeval zijn dat in E.T. the Extra-Terrestrial (Steven Spielberg, 1982) de uit de hemel gezonden verlosser van een groepje kinderen drie dagen na zijn dood weer tot leven wordt gewekt.

In Nederland zijn de verbeeldingen van Jezus dun gezaaid, maar Joost Prinsen speelde hem in Adriaan Ditvoorsts satire op de Tien Geboden, De mantel der liefde (1978).

En de Spaanse economiestudent Enrique Irozaqui, een gelegenheidsacteur die Jezus was in Il vangelo secondo Matteo, werd een paar jaar geleden opgemerkt en opnieuw in het spotlicht gezet, omdat hij in Zwolle bleek te wonen.

    • Hans Beerekamp