Het grote verlangen naar niets

Een jongetje van zo'n vijf jaar oud lacht me uit als hij me in mijn flitsende wandeluitrusting door de straatjes van Chitkul (India) ziet dwalen. In zijn ogen moet ik een soort maanmannetje zijn, dat ingewikkelde apparatuur nodig heeft om de bergen te bestijgen, terwijl hij dat zonder de geringste moeite op blote voeten kan. Als ik doorloop, wendt hij zijn lachende hoofdje af en gaat verder met het schoonmaken van zijn leitje in de rivier. Alleen zijn schooluniform, bestaande uit blauwe broek, lamswollen trui, overhemd en das, wijst erop dat het Britse koloniale bewind zich voor 15 augustus 1947 ook tot dit afgelegen bergdorp in het voormalige koninkrijk Kinnaur heeft uitgestrekt.

Drieënvijftig jaar later is het leven er nog altijd zo eenvoudig als het maar kan zijn. De tijd lijkt in Chitkul al jaren stil te staan. Als je er niets te zoeken hebt, kom je er niet. En doordat het tevens het laatste dorp is voor de grens met Tibet en het tot aan die grens militair gebied is waar een buitenlander niet mag komen, waan je je ook nog eens aan het eind van de wereld.

De enige stress die ze in Chitkul kennen, wordt veroorzaakt als de oogst is mislukt en de voorraadschuren leeg raken. Maar zo vaak komt dat niet voor, want de jaargetijden zijn hier nog betrouwbaar en de bodem is rijk en gezond. Ook heeft niemand in het dorp een auto, dus als er gereisd moet worden, om bijvoorbeeld wol in een nabijgelegen dorp te verkopen of een arts te bezoeken, dan gebeurt dat lopend. Bezit is in Chitkul een raar begrip. De meeste inwoners hebben slechts wat gereedschap en een paar potten en pannen. Toch is zelfs op het tweede gezicht iedereen hier in en in tevreden met zijn bestaan.

De dorpsbewoners werken op het land, hoeden een kudde geiten of repareren de weg. In het uiterste geval leven ze van de stilte en de wind, maar ook dat is geen ramp. ,,Wij zorgen in de bergen altijd voor elkaar, of het nou om familie gaat of niet'', zegt onze gids Nareesh als hij ons afzet aan de rand van het dorp, precies daar waar de weg ophoudt. Zo dadelijk zal hij ons aan ons lot overlaten, met als enige troost dat in de verte een bergpas van 5000 meter hoogte naar ons lonkt als de Lorelei. Doel van ons bezoek aan dit idyllische plaatsje dat nog geen honderd rijkelijk versierde houten huizen telt, is ons te laten wennen aan het leven in de bergen boven 3500 meter Normaal Amsterdams Peil. Maar behalve met die hoogte worden we er nog meer geconfronteerd met een wereld waarvan we het bestaan niet meer hadden vermoed in de onvoltooid tegenwoordige tijd die zelfs aan het huidige India niet voorbijgaat.

Langs de oevers van de rivier de Baspa werken een paar vrouwen op de vruchtbare velden. Ze staan tot aan hun middel in het wuivende gewas dat de basis levert voor hun dagelijks brood. Net als de mannen dragen ze een grijs wollen mutsje, dat iets heeft van een leuk beschilderd koektrommeltje. Aan een kant is het opgekruld en laat het een groene strook zijde zien.

Tot enkele jaren geleden leefden de meeste inwoners van de 77 dorpen in Kinnaur nog van de ruilhandel met Tibet. Abrikozen, eetbare pijnappels, kleding en ijzerwaren werden over gure Himalaya-passen naar het buurland vervoerd en geruild tegen kostbare pashmina wol. In Chitkul zelf bestaat de ruilhandel nog altijd. Graan in ruil voor schapenwol, hout voor ijzer, geitenvlees voor brood. Niemand betaalt iets met geld, want wat moet je er mee in een dorp dat vrijwel geheel autarkisch is.

In het dorpscentrum zit een tiental mannen en vrouwen die in gescheiden formaties grote keien in kleine steentjes hakken, rond een boeddhistische tempel. Het zware werk lijkt hun geen moment te vervelen. Opgewekte gezichten kijken ons nieuwsgierig en welwillend aan. Grootvaders dragen hun kleinkinderen in een lap op hun rug.

Aan het andere eind van het dorp zitten acht vrouwen bij elkaar voor een oven waarin ze brood bakken. Ze delen het royaal aan ons uit, nadat ze ons hebben gevraagd plaats te nemen en hun bakactiviteiten van Westers gezang vergezeld te doen gaan. ,,Kunnen jullie er ook bij dansen?'' vraagt een bazig oud vrouwtje in gebarentaal.

Oprechte gastvrijheid in plaats van desinteresse, ruilhandel in plaats van turbo-consumptiemaatschappij, urenlang op een rots voor je uit zitten staren in plaats van het alles doordesemend heavy-metalgedreun uit de disco of een zondag onbevredigend funshoppen, zorg voor anderen – die niet eens je naasten zijn – terwijl de staat er is om voor de zwakkeren van lichaam en geest op te draven, leitjes uit papierschaarste in plaats van door de overheid aangemoedigd computergebruik, veel Nederlanders zouden er niet aan moeten denken. Want de verworvenheden van de moderne welvaartsstaat zijn totems geworden. Wel staan we open voor een instant cursus boeddhisme of Landmark (toe te dienen op een door onszelf te bepalen moment, het liefst na vijven) of een cd met vogelgeluiden voor 's avonds bij de open haard. En voor wie in Nederland echt wanhopig is en toch de stilte zoekt, is er de onlangs verschenen Stilteatlas van Nederland, met een tiental `stiltepunten' op een uur rijden van iedere stadsgrens.

Volgens Nareesh, de meest wijze gids die een reiziger in India zich kan wensen, behoren niet de Westerlingen met al hun rijkdom, maar de Chitkullers tot de gelukkigste mensen op aarde. Ze werken een half jaar op het land, halen de oogst binnen en leggen wintervoorraden aan. En dan verschansen ze zich in hun huizen en breekt een periode aan van zes maanden isolement, want zolang is Chitkul door de sneeuw afgesneden van de buitenwereld. Nareesh grapt dat hij misschien wel met een Chitkulse vrouw moet trouwen. ,,Want ik zou dolgraag willen weten hoe het is om al die maanden helemaal niets te doen'', voegt hij daar glimlachend aan toe.

    • Michel Krielaars