`Gezondheidszorg Nederland achterop'

Op sommige gebieden van de gezondheidszorg is Nederland `een hekkensluiter', zo luidt de conclusie van een vergelijkend onderzoek.

De kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg verliest internationaal terrein. De ontwikkeling van de gemiddelde levensverwachting in Nederland blijft achter bij die in andere westerse landen. Wachtlijstproblemen zoals in Nederland zijn een zeldzaamheid. En ook het aantal artsen en specialisten per inwoner is relatief laag.

Dat schrijven de economen prof.dr. Bernard van Praag en Pauline van de Ven in het weekblad Economische Statistische Berichten. Zij constateren op basis van vergelijking met Duitsland, België, Groot-Brittannië, Frankrijk, Japan en de Verenigde Staten, dat `de Nederlandse gezondheidszorg lang niet zo goed is als we denken'. ,,We zijn op sommige onderdelen zelfs hekkensluiter'', aldus onderzoeker van Praag.

Zo is in tegenstelling tot dertig jaar geleden de gemiddelde levensverwachting van 65-plussers nergens zo laag als in Nederland. Nederlandse mannen, 65 jaar oud, leven gemiddeld nog 14,4 jaar, terwijl mannen van die leeftijd in Japan 16,9 jaar ouder worden. Anders dan Nederland kennen de bovengenoemde landen geen wachtlijstproblemen met uitzondering van Groot-Brittannië. Zonder uitzondering beschikken deze landen over anderhalf tot twee keer zoveel specialisten op de 1.000 inwoners. Duitsland en België hebben twee keer zoveel oogartsen als Nederland, en twee (Duitsland) tot drie keer zoveel (Frankrijk en België) huisartsen.

Tegelijkertijd geeft Nederland internationaal bezien relatief weinig geld uit aan zorg, constateren beide onderzoekers. De uitgaven aan zorg in Nederland bedroegen 8,5 procent van het bruto nationaal product in 1997. Dat is niet weinig, maar anders dan in het buitenland komen eigen bijdragen en `betalingen uit de hand' in beginsel niet voor.

Men kan zich afvragen of in Nederland de jarenlange fixatie op de macro-economische kosten niet te ver is doorgeschoten, schrijven de onderzoekers. Van de Ven: ,,Je zit op een hellend vlak. Wachtlijsten in het ziekenhuis vinden we in Nederland een fact of life. Kijken we over de grens dan is dat abnormaal.''

Echter, een direct verband tussen het geringe geldbedrag en de internationaal achterblijvende kwaliteit leggen de auteurs niet. Die vraag hebben we niet geanalyseerd, schrijven ze. Daarvoor is nieuw, onafhankelijk, onderzoek nodig. `Tot op zekere hoogte is er natuurlijk altijd afruil tussen prijs en kwaliteit. Het Amerikaanse systeem illustreert echter dat meer geld niet automatisch evenredig betere zorg oplevert.'

Voor zover het de economen bekend is, is een dergelijke vergelijking niet recent gemaakt. De OESO levert voornamelijk kale cijfers. En de World Health Organisation, die zich wel aan internationale vergelijkingen waagt, publiceerde in juli een onderzoek dat werd gepresenteerd als onderzoek naar de kwaliteit, maar feitelijk vooral inging op de verdeling van zorg tussen verschillende inkomensgroepen.

De vraag rijst hoe het beeld kan bestaan dat het peil van de Nederlandse gezondheidszorg zeer hoog is. In het artikel gaan de economen daar niet op in. Desgevraagd opperen ze dat mogelijk het ministerie van Volksgezondheid daar debet aan is. Van de Ven: ,,Dat ministerie wil niet meer geld uitgeven. En dus gaat dat departement niet aan de grote klok hangen dat onze zorg internationaal gezien steeds minder voorstelt.''

Als Nederland de medische zorg in overeenstemming zou brengen met het gemiddelde in onderzochte landen, aldus de economen, zou het aantal medisch specialisten moeten worden uitgebreid met 65 procent en het aantal huisartsen moeten worden verdubbeld. Ook moet het macro-budget worden opgerekt met 0,6 procent van het bruto nationaal product. Tegelijkertijd zouden Nederlanders een deels verzekerbaar, eigen risico moeten gaan betalen, waarvan AOW'ers en laagste inkomens worden uitgesloten. Dat eigen risico bedraagt gemiddeld 14 procent in de onderzochte landen.