Een dief met bovennatuurlijke krachten

Voor joden was Jezus eeuwenlang een mikpunt van grappen. Moslims zien hem als een profeet, niet minder, maar ook niet meer.

EEN KIND GROEIT op bij zijn alleenstaande moeder. Haar ex-man, een voorname heer, heeft hij nooit gekend. Van zijn vader, de buurman, weet hij alleen het hoognodige: een schurk. Had zijn moeder hem maar nooit ontmoet, denkt hij vaak. Maar de buurman verkrachtte zijn moeder, waarop haar liefhebbende echtgenoot de voordeur voorgoed achter zich dichttrok.

De bastaard groeit op voor galg en rad. Hij is gevat, ja zelfs opvallend wijs voor zijn leeftijd, maar toont geen respect voor zijn omgeving. Het is zo'n kind dat veel wil bereiken, maar er niets voor over heeft. Hij steelt een heilig voorwerp, dat hem bovennatuurlijke krachten verleent. Het levert hem zowaar een schare volgelingen op, die hem door dik en dun steunen – ook als hij, tegen het eind van zijn leven, zijn magie verliest. Zij verbergen zijn ontzielde lichaam op een geheime plek.

Wat op het eerste gezicht een familiedrama in drie bedrijven lijkt, is in werkelijkheid een middeleeuwse joodse satire, beter bekend als de Toledot Yeshu (letterlijk: `Het leven van Jezus'). Deze tegen Jezus gerichte joodse geschriften waren in de vroege Middeleeuwen een logische reactie op de jodenvervolgingen in Europa. En zeer populair: iedere belezen jood was bekend met de literaire personages Miriam (Maria), Jochanan (Jozef) en Yoshu (Jezus). De Toledot Yeshu ontmythologiseerden het christelijke verlossingsverhaal, tot woede van veel christenen. De auteurs zelf zagen er weinig kwaad in. Zoals de historicus Heinrich Graetz opmerkte: ,,De christenen vergoten ons bloed, wij vergoten enkel inkt.''

De Toledot Yeshu domineerden tot ver in de negentiende eeuw het joodse Jezusbeeld. Veel anders was er niet, want noch in de Misjna (een verzameling van joodse godsdienstige wetten) noch in de Talmoed (een interpretatie van en aanvulling op de Misjna) wordt Jezus met name genoemd. De zeldzame toespelingen op zijn bestaan leidden eerder tot verwarring dan tot een beter begrip. Joodse geleerden waren het des te meer eens over wat Jezus níet was: hij was niet maagdelijk geboren, laat staan de zoon van God (hooguit in de metaforische zin). En zijn messiaanse boodschap was aan hen niet besteed; Jezus bracht immers geen wereldvrede, verzuimde het volk Israel politieke macht te geven en de Tempel in Jeruzalem te herbouwen.

Wat is Jezus wel voor joden? Een van de eersten die een serieus antwoord op die vraag trachtten te vinden, was Joseph Klausner, professor Nieuwe Hebreeuwse Literatuur en Geschiedenis aan de Hebrew University in Jeruzalem. In zijn in 1922 verschenen werk Jezus van Nazareth geeft hij een `joods' perspectief op Jezus' leven. Jezus zou volgens Klausner een lichtend voorbeeld voor joden zijn, een soort leraar.

Klausners werk markeerde het begin van een niet aflatende stroom literatuur over Jezus. Sinds de stichting van de staat Israel in 1948 zijn er meer boeken over hem verschenen dan in alle voorgaande eeuwen bij elkaar. Schrijvers en dichters als Schalom Ben-Chorin, David Flusser, Schalom Asch en Max Brod portretteerden Jezus in uiteenlopende gedaanten: vrijheidsstrijder, profeet, sociaal-revolutionair, rabbi.

In veel opzichten is de rol van Jezus in de islam niet anders dan die van Jezus in het jodendom. Ook de meeste moslims geloven in de eenheid van God (tawhied) en wijzen daarmee het christelijke concept van de drie-eenheid van de hand; Jezus is een zoon van God zoals alle heiligen geestelijke zonen van God zijn. Maar anders dan de meeste joden, beschouwen moslims Jezus als een profeet, een boodschapper van God. En waar joden geen heil zien in zijn maagdelijke geboorte, maakt de Koran er expliciet melding van. Zo valt in soera 19:30 te lezen hoe de engel Gabriël tot de maagd Maria kwam en door zijn adem `het woord van God' (Jezus) in haar legde. Toen haar familie haar bij haar terugkeer berispte wegens het kind, legde Jezus vanuit de wieg een getuigenis af over de reinheid van zijn moeder. Vandaar ook de twee belangrijke titels die moslims voor hun profeet Jezus reserveren: Roeh Allah (Geest van God) en Kalimat Allah (Woord van God).

Over Jezus' dood wordt in moslimkringen al eeuwenlang gedebatteerd. Sommige moslims stellen dat Jezus, hoewel gekruisigd, schijndood was en niet overleed. Anderen menen dat een ander in zijn plaats werd gekruisigd, of vergeestelijken zijn levenseinde. In de Koran (soera 4:157) valt te lezen dat Jezus niet gekruisigd werd. In plaats daarvan voltrok zich Jezus' tawaffa, een Arabisch begrip dat door sommige moslims als `sterven' wordt uitgelegd en door anderen als `hemelvaren'. Een en ander is van belang, omdat het veel zegt over zijn eventuele terugkeer op aarde. Er zijn nog veel moslims die al jarenlang wachten op zijn komst en de daaruit voortvloeiende verkondiging van de waarheid van de islam – aan de hele mensheid. Maar hun aantal daalt gestaag. Onder invloed van vooral soennitische intellectuelen ontdekken steeds meer moslims dat het messiaanse beeld van Jezus haaks staat op de belangrijkste geloofsprincipes van de islam.

In religieuze krantenrubrieken in het Midden-Oosten wordt steeds vaker gesteld dat Jezus op natuurlijke wijze is gestorven en dat zijn graf kan worden bezichtigd (de meningen zijn verdeeld over de exacte locatie). Ook uit een rondgang langs diverse nieuwsgroepen op internet blijkt dat de traditionele opvatting dat Jezus terugkomt, terrein verliest. Zoals een internetgebruiker opmerkt: ,,Wachten op de terugkomst van Jezus heeft geen zin. De laatste profeet (Mohammed, red.) die de laatste Goddelijke wetten en normen voor de mensheid meebracht, heeft zijn taak reeds veertien eeuwen geleden volbracht.''

Een andere internetgebruiker betoogt dat het wachten op Jezus niet alleen zinloos is, maar ook tot inertie leidt. ,,Deze tijdverspilling komt duidelijk tot uiting in de grote achterstand der moslimvolkeren tegenover de meer ontwikkelde naties in de wereld'', aldus de schrijver. ,,Ook de onderlinge strijd en de sociaal-economische ellende en de grote mate van onwetendheid is hier debet aan. De moslim moet nú handelen. Zich zelf inzetten voor het geloof. En niet wachten op de komst van Jezus.''

Bronnen: C.W. Rentiers, `Jezus in de islam'; een beschrijving en analyse van acht moslimauteurs. Universiteit van Utrecht, 1996; P.A. Siebesma, `Eerst de jood; de plaats van Jezus in de joodse literatuur'. Stichting Near East Ministry, Voorthuizen, 1996; J.H. Schoeps, `Neues Lexikons des Judentums'. Bertelsmann Lexikon Verlag, München, 1992; H.J. Schonfield, `According to the Hebrews; a new translation of the Toldoth Yeshu', Kemp Hall Press, Oxford, 1937.

    • Danielle Pinedo