De echte lessen uit Amerika

Elke vier jaar trekken Nederlandse politici en campagnestrategen van diverse partijen naar de Verenigde Staten om te bekijken hoe het er daar tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen aan toe gaat. En elke vier jaar komen ze even enthousiast terug. Boordevol ideeën, maar ook boordevol frustratie. Want kon het in Nederland maar een beetje gaan op de manier zoals in de Verenigde Staten.

Eerder deze maand was partijvoorzitter Marnix van Rij van het CDA te gast bij de Democratische conventie in Los Angeles. Hij had ze zien praten: Clinton, Lieberman en Gore en was jaloers geworden. Zo professioneel was het allemaal, vertelde Van Rij afgelopen maandag tegenover het Radio 1 journaal. De manier waarop de sprekers opkwamen, de opbouw van hun speeches, het contact met de zaal, het contact met de tv-kijker, maar vooral ook het persoonlijke element dat in de speeches had doorgeklonken. Dus als CDA-leider Jaap de Hoop Scheffer binnenkort tijdens openbare optredens met verstikte stem over zijn jeugd begint, weten we waar dat vandaan komt. Want, aldus Van Rij na zijn Amerika-reis, ,,een moderne politicus moet meer van zichzelf laten zien.''

Toch zijn de Verenigde Staten lang niet meer zo interessant als het om de vorm, ofwel de verkoop van de politiek gaat. Simpelweg omdat er de afgelopen decennia in Europa al zoveel van de Amerikaanse campagnestrategieën is overgenomen en er dus weinig meer valt te leren. Zo waren de verkiezingscampagnes van de PvdA in 1994 en 1998 goedkope varianten van de campagnes van Clinton in 1992 en 1996. Het grote verschil met de Verenigde Staten is tegenwoordig vooral nog te vinden in de heftigheid waarmee campagne wordt gevoerd, wat zich natuurlijk allereerst manifesteert in de gigantische hoeveelheid geld die er aan op gaat. Met een opkomstpercentage dat rond de 50 procent schommelt, moeten de Amerikaanse kiezers wel toegeschreeuwd worden. Daar komt bij dat de Verenigde Staten geen proportioneel kiesstelsel kennen, maar een alles of niets-systeem: een Amerikaanse presidents-kandidaat moet staat voor staat bevechten. En gevochten wordt er dan ook, waarbij de peperdure negatieve tv-commercials over de ander veruit favoriet zijn.

Het zijn de `gekkigheden' uit Amerika waar politici in Europa en zeker de Nederlandse huiverig tegenover staan. Er worden hier nog altijd dappere pogingen ondernomen om de inhoud te laten prevaleren. En juist op dit punt is de verkiezingscampagne in de Verenigde Staten wel interessant. Over het uiterlijk valt weinig meer te leren, over de inhoud des te meer, eenvoudigweg omdat de `issues' of wat er voor door moet gaan daar tegenwoordig dezelfde zijn als hier.

Dat betreft dan vooral de `gedepolitiseerde' omgeving waarin de verkiezingsstrijd plaatsvindt. Volgens Irving Kristol van het American Enterprise Institute was de Amerikaanse politiek niet eerder zo stuurloos als nu. In een artikel in het Times Literary Supplement schreef hij eerder dit jaar dat politici, overlevers zoals zij nu eenmaal zijn, `voortschrompelen' in de echte wereld. Politici ontfermen zich over onderwerpen die volgens de onvermijdelijke peilingen onder de kiezers zouden leven. Maar, zo vraagt hij zich af, wat betekent het nu eigenlijk, als uit een open geformuleerde vraag blijkt dat 13 procent van het electoraat zich zorgen maakt over de kwaliteit van het onderwijs? Alle andere thema's scoren nog lager. ,,Weten de kiezers wellicht iets dat politici nog niet weten'', merkt Kristol sarcastisch op.

Alle vaste gegevenheden, waaraan politici zich tot voor kort konden vastklampen, verdwijnen. Individualisering zet de toon en begrippen als links en rechts zijn anachronismen aan het worden. Het is maar goed dat deze culturele verschuiving plaatsvindt in een periode van ongekende welvaart en vrede, want anders zou het volgens Kristol tot grote spanningen kunnen leiden. Op dit laatste valt wel het een en ander af te dingen, want even goed zou kunnen worden gesteld dat vrede en welvaart de culturele omwenteling versterken.

Maar dat neemt allemaal niet weg dat de politicus nu een heel andere strijd heeft te voeren dan in het verleden. Niet langer zijn de grote idealen of vergezichten aan de orde. Veel belangrijker is hoe de politicus omgaat met het particuliere ongenoegen van de kiezer. Maar probeer dat maar eens in een zich individualiserende samenleving onder één noemer te brengen.

En toch is dat de opgave waar nu eerst de Amerikaanse presidentkandidaten voor staan, en die over twee jaar in Nederland niet anders zal zijn. Dan zijn het haast automatisch begrippen als karakter en vertrouwen die de toon zullen zetten. Zie hier dan ook de echte les uit Amerika voor de politieke watchers in Nederland. Hoe gaat Gore het economisch succes van Clinton uitventen en wat stelt Bush hier tegenover?

Als de economische groei blijft doorzetten zullen mensen over het algemeen weinig behoefte hebben aan ingrijpende veranderingen. Partijen weten dat ook, dus de verschillen zullen nog minder groot worden. Dat geldt ook voor de kiezer in Nederland. Een politicus moet oog hebben voor de algemeen gevoelde noden.

In de Verenigde Staten speelt een voorheen populair verkiezingsthema als belastingverlaging in de perceptie van de kiezer een veel minder grote rol. Veel liever heeft men dat er wat gebeurt aan verbetering van het onderwijs en de medische voorzieningen. De overal opduikende wachtlijsten ontwikkelen zich in de Verenigde Staten op dit moment tot de achilleshiel van iedere politicus.

Inderdaad, exact de thema's die hier nu ook spelen. Ook de verkiezingsthema's globaliseren. Voor Nederlandse politici is absoluut niet van belang wie over twee maanden de verkiezingen in de Verenigde Staten wint. Waarmee ze die verkiezingen winnen, is veel belangrijker.

    • Mark Kranenburg