Confrontaties en revoluties in Palestina

De tijd waarin Jezus leefde was woelig, zowel politiek als religieus. Onder het strakke Romeinse bewind laaide de hoop op verlossing fel op.

`EN HET GESCHIEDDE in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus, dat het gehele rijk moest worden ingeschreven. Deze inschrijving had voor het eerst plaats, toen Quirinius het bewind over Syrië voerde. En zij gingen allen op reis om zich te laten inschrijven, ieder naar zijn eigen stad.' (Luc.2:1)

Met deze datering begint Lucas, een van de vier bijbelse auteurs die het verhaal van Jezus' leven hebben genoteerd, het verslag van diens geboorte. Zijn collega Mattheüs is hierin summierder: ,,Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, in de dagen van koning Herodes, drie wijzen uit het oosten kwamen te Jeruzalem en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is?'' (Mat.2:1)

Naar alle waarschijnlijkheid moet Jezus' geboorte circa 5 voor Christus geplaatst worden, het gevolg van een rekenfout van Dionysius Exiguus, een geleerde die paus Johannes I in 526 van advies diende bij de vaststelling van de christelijke jaartelling.

Aan de hoofdrolspelers van de politieke geschiedenis van Jezus' tijd, zoals keizer Augustus, diverse koningen Herodes, de Romeinse landvoogd Quirinius, stadhouder Pontius Pilatus, wordt in de vier evangeliën slechts een figurantenrol toebedeeld. De bijbelverhalen zijn geen objectieve, historisch verantwoorde Jezus-biografie. Zo waren ze ook niet bedoeld. Ze werden, waarschijnlijk tussen het jaar 70 en 100 na Chr., geschreven om duidelijk te maken hoe de auteurs, die bekend staan onder de namen Marcus, Mattheüs, Lukas en Johannes, tegen Jezus aankeken. Elk van de vier ordende daartoe zijn informatie op zijn eigen wijze. De evangeliën corresponderen ook niet altijd met elkaar of met andere bronnen. Hoewel Jezus waarschijnlijk Aramees en Grieks heeft gesproken, zijn de evangeliën alleen geschreven in het koinè-Grieks, de lingua franca van die dagen, vergelijkbaar met het Engels nu.

Uit de profane geschiedschrijving is bekend dat Palestina in Jezus' dagen politiek buitengewoon chaotische tijden beleefde. Na de dood van Alexander de Grote in 323 voor Christus was diens rijk, dat zich uitstrekte van Griekenland tot Egypte en India, in verschillende delen uiteengevallen. Palestina kwam rond het jaar 320 onder bestuur van de Egyptische Ptolemeeën. Na een eeuw van steeds terugkerende strijd werden de Ptolemeeën in 198 verslagen door de de hellenistische dynastie van de Seleuciden. Zij verboden de joden om hun feesten te vieren, de sabbat te houden en de besnijdenis uit te voeren. Ze wilden hun ,,de gewoonten van de Grieken bijbrengen'', schreef de Romeinse historicus Tacitus ruim tweeëneenhalve eeuw later.

De hogere sociale klassen in Palestina lieten zich deze zogeheten hellenisering aanleunen, maar het orthodoxe deel van de joden kwam ertegen in opstand. In de apocriefe bijbelboeken over de strijd van de Macabeeën wordt hiervan verslag gedaan. Judas de Macabeeër, die scherp inzicht had in de internationale verhoudingen, sloot, om zich de Seleuciden en Egypte van het lijf te houden, in 161 voor Christus een verdrag met de nieuwe grootmacht in opkomst: Rome. Deze politiek had succes en leidde tot een herstel van de joodse onafhankelijkheid onder de dynastie van de Hasmoneeën, zoals de opvolgers van Judas de Macabeeër werden genoemd. Geleidelijk aan breidde de macht van de nieuwe staat zich uit over heel Palestina en Jordanië.

De onderlinge verdeeldheid van de joden en de groeiende macht van het Romeinse rijk leidden echter na tachtig jaar Hasmonees bewind tot de bezetting van het land door de Romeinen. In 40 voor Christus liet Herodes zich in Rome uitroepen tot koning van Juda. Jeruzalem was toen in handen gekomen van de uit het oosten binnengevallen Parthen. Herodes trok daarom na zijn benoeming met Romeinse legioenen op naar Judea en wist in 37 Jeruzalem te heroveren. Hij zou er tot zijn dood, in het jaar 4 voor Christus, dus waarschijnlijk kort na Jezus' geboorte, koning blijven.

Herodes, die als bijnaam `de Grote' heeft gekregen, is van grote betekenis geweest voor de economische opbloei van Palestina. Hij stimuleerde landbouw, handel en industrie. Hij liet de havenstad Caesarea aanleggen en gaf opdracht tot de herbouw en vergroting van de tempel in Jeruzalem – een prestigeproject waaraan decennia gewerkt is. Maar geliefd maakte hij zich daarmee niet bij de joden. Hij was een meedogenloze man die zelfs familieleden die hij als bedreiging zag uit de weg ruimde. Je kunt beter Herodes' varken (in het Grieks: hus) dan Herodes' zoon (huios) zijn, moet keizer Augustus ooit gezegd hebben. Bovendien had hij zijn afkomst tegen, want zijn voorgeslacht stamde uit Edom, van oudsher een aartsvijand van Israel. In dat beeld past ook het legendarische verhaal over de massale kindermoord in Bethlehem, waartoe Herodes opdracht zou hebben gegeven na de vraag van de wijzen uit het oosten naar de nieuwe koning der joden. Hij was zo paranoïde dat hij zelfs in één kind al een potentiële dreiging zag (Mat.2:13-23).

Herodes werd opgevolgd door zijn zoon Archelaüs, die regeerde van 4 voor tot 6 na Christus. Daarna werd Judea een onderdeel van de Romeinse provincie Syrië, met aan het hoofd een prefect. Eén van hen, Pontius Pilatus, die regeerde van 26 tot 36, speelde contrecoeur een rol bij de executie van Jezus door kruisiging (Mc.15:1-15). In 66 deed zich opnieuw een joodse opstand voor, die door de Romeinen bloedig werd neergeslagen en in 70 leidde tot de verwoesting van Jeruzalem door de latere keizer Titus, zoals beschreven door de joodse historicus Flavius Josephus (37-100 na Chr.) in `De Joodse Oorlog'.

Ook religieus was het een woelige periode in Palestina. In Jeruzalem werd het leeuwendeel van de priesterlijke aristocratie gevormd door de Sadduceeën, die een aantal vertegenwoordigers in het Sanhedrin hadden, het hoogste bestuurlijke college in Jeruzalem. Zij waren religieus conservatief, beschouwden alleen de boeken van Mozes, de eerste vijf bijbelboeken, als gezaghebbend en geloofden niet in engelen en in een opstanding der doden. Hun voornaamste opponenten waren de Farizeeën, een religieuze stroming die, parallel aan de opmars van het joods nationalisme onder de Hasmoneeën, aan betekenis won. Zij hechtten niet alleen aan de vijf boeken van Mozes, maar ook aan de geschriften van profeten, dichters en wijsheidsleraren zoals deze zijn opgenomen in het huidige Oude Testament. Aan de boeken van de profeten ontleenden ze de verwachting van een `Koninkrijk van God' dat in de nabije toekomst zou aanbreken. Met deze opvattingen stonden de Farizeeën veel dichter bij het gewone volk.

Een groot deel van de vier evangeliën gaat over de confrontaties tussen Jezus en de Farizeeën. Jezus verweet hun dat zij de mensen een veelheid van regels en geboden oplegden, bijvoorbeeld met betrekking tot het houden van de sabbat en spijswetten, die ze onmogelijk konden houden. Op hun beurt verweten de Farizeeën Jezus dat hij de bijbelse wetgeving aan zijn laars lapte.

Een extreme, piëtistische stroming vormden de Essenen die zich, waarschijnlijk uit reactie op de verwording van het joodse levenspatroon in Jeruzalem, in het woestijngebied bij de Dode Zee vestigden en zich daar in kleine gemeenschappen toelegden op een zuiver leven. Ze hielden zich strikt aan de sabbatswetten, weigerden de eed en praktiseerden de doop als reinigingsritueel. Daarnaast bestond nog de beweging van de Zeloten, die zich met geweld tegen de Romeinen verzetten. Onder de leerlingen van Jezus bevond zich een zekere Simon, die de bijnaam Zeloot had. Hij had kennelijk, voor hij leerling van Jezus werd, deel uitgemaakt van de guerrillastrijd tegen de Romeinen.

Jezus zelf heeft zich volgens de evangeliën nooit tegen de Romeinse bezetters gekeerd. Ten eerste had hij daarvoor weinig aanleiding. Hij was werkzaam in Galilea, dat toen geen Romeins grondgebied was en ook niet door de Romeinen werd bestuurd, maar een eigen landvoogd had, Herodes Antipas, zoon van de al genoemde Herodes. Ten tweede predikte Jezus dat Gods regering op aarde aanbrak en de gehoorzaamheid van mensen eiste. Het nabije einde van aardse machten, Romeins of joods, maakte dat Jezus weinig interesse had in politiek: alle machten waren immers hun ondergang nabij.

Dat Jezus toch als opstandeling is gekruisigd, komt doordat zijn beweging door haar omvang de openbare orde bedreigde. Joodse autoriteiten hebben uit vrees voor Romeinse represailles in Jeruzalem Jezus gevangen genomen en hem aan de Romeinse prefect van Judea, Pilatus uitgeleverd.