Zoektocht naar de kern van de kunst

De tovenaar bestudeert een worm die over zijn uitgestrekte vinger kruipt. Hij zit op een krukje aan een rustieke houten tafel. Een kaarsvlam verlicht de tovenaar, een houten beeldje op de tafel en een nis waarin een stekelige wereldbol met wellustige vrouwen rondzweeft. In dit donkere tafereel opent zich ook een klein gat naar een zonnige dag, waar we een Italiaans marktplein zien met daarboven een bommenwerper in een diepblauwe lucht.

Het licht van de kaars bakent het tafereel af op een manier die het werk van 17de-eeuwse schilders als Georges de la Tour in herinnering brengt. Fosforiserende, gele contouren geven het beeld een hallucinerende kwaliteit. Deze oplichtende contouren zijn het handelsmerk van de Duitse schilder Jörg Immendorff (1945), die beroemd is geworden met grote nachtelijke vertellingen op doek, zoals de serie Café Deutschland. Immendorff heeft zich ontwikkeld tot een meester in het schilderen met zwart, zoals 35 doeken uit de afgelopen drie jaar in het Stedelijk Museum laten zien. De tentoonstelling is georganiseerd door de Kestner Gesellschaft in Hannover in samenwerking met de Keulse galeriehouder Michael Werner.

De gemakkelijkste manier om een donker tafereel te schilderen is om lichte tinten dun aan te brengen op een zwarte ondergrond. Maar dat doet Immendorff, op enkele details na, niet, hij bouwt het schilderij op van licht naar donker. Het was voor hem een reden om over te stappen van acryl- naar olieverf, die langzamer droogt en die een grotere modulering mogelijk maakt. Bijzonder knap is het hoe Immendorff met een zwart fond en donkere kleuren zo veel helderheid, diepte en sprankeling in het schilderij weet te brengen.

De tovenaar is een zelfportret. Immendorff beeldt zichzelf vaak af, als clown en circusdirecteur bijvoorbeeld. In zijn ruime mantel verbergt hij beelden en gedachten: kleurige patronen, een naakte vrouw. Schimmige figuren zijn in de achtergrond weggeschilderd, een reusachtige donkergroene vogelpoot komt achter de tafel tevoorschijn. Op de schoenen van de schilder liggen dikke kwakjes verf in regenboogkleuren, een motief dat vaak terugkomt, zoals vele andere motieven voortdurend terugkomen. Immendorff bouwt al meer dan 30 jaar aan een beeldlexicon waaruit hij naar believen put. Hij heeft een grote lust tot fabuleren, zoals hij zegt in een interview.

Toch worden zijn doeken leger, ze laten geen panorama's meer zien, ze zitten niet meer tot aan de randen volgepropt met details. Het gaat Immendorff steeds minder om het verhaal, en steeds meer om vorm en kleur. ,,De energie van de schilderkunst is het antwoord op hetgeen de grote vertellingen niet meer produceren,'' zegt hij. ,,Hoe is het anders mogelijk dat ik mijn atelier binnenkom en de kleine worm in mijn nieuwe schilderijen mij zó sterk in het oog springt dat hij alles in de vroegere schilderijen die er nog staan verblindt?''

Dit is de ontwikkeling van een kunstenaar die zich aan het einde van de jaren zestig hevig verzette tegen alles wat met het kunst-establishment te maken had. Als Meisterschuler van Beuys aan de kunstacademie van Düsseldorf, waar hij nu zelf al lange tijd lesgeeft, organiseerde Immendorff Lidl-acties. Het woord Lidl, dat het geluid van een babyrammelaar weergeeft, was bedoeld als een onderzoek naar poëtische ritmen en oerbeelden en -bewegingen, geïnspireerd door de dichter Arthur Rimbaud, door de beweging Dada, en door een kunstenaar als Marcel Broodthaers. Met Lidl, en iets later met zijn Baby Art, nam Immendorff de cultus van het creatieve `genie' onder vuur. Elementen van Lidl en Baby Art komen nog steeds in zijn schilderijen voor. De acties waren vooral gericht tegen de autonome, op zichzelf gerichte kunst, die in die periode, met minimal en concept art, de kunstwereld beheerste. In een soort agit prop-schilderijen in sociaal-realistische stijl richtte Immendorff zich tot zijn medekunstenaars: Wo stehst du mit deiner Kunst, Kollege?

Immendorff wilde kunst maken die voor iedereen toegankelijk was. Hij had, en heeft nog steeds, een groot verlangen naar gemeenschappelijkheid, naar het doorbreken van het maatschappelijk isolement van de kunstenaar. Daarom zocht hij ook naar samenwerking met andere kunstenaars, zoals met de schilder A.R. Penck, die toen nog in het Oost-Duitse Dresden woonde. Samen zouden zij, zo was de opzet, met hun Café Deutschland-schilderijen, als een soort moderne, epische historieschilderkunst, de kloof tussen Oost- en West-Duitsland ongedaan maken.

Het bleek niet eenvoudig om het idee van collectiviteit en het streven naar een toegankelijke kunst te verenigen met de eigen creatieve wil. Hoe kan een kunstenaar oproer maken, aanspreken, en tegelijkertijd trouw blijven aan de taal van de kunst? Immendorff zoekt naar een balans tussen deze twee uitersten, en onderwerpt daarmee tevens zijn eigen rol als schilder aan een onderzoek. Het maakt hem tot een belangrijk schilder van deze tijd. Zijn sprookjesachtige, pseudo-realistische schilderijen zijn nog steeds op een eenvoudig niveau, als vertelling en als iconografisch beeld, te lezen. We herkennen de stekelige wereldbol met de zeven hoofdzonden. Maar het schilderij gaat veel verder dan dat. Zoals Immendorff zegt: ,,Ik wil de kern van de zuivere schilderkunst vinden. Zodat de beschouwer zich niet meer op betekeniskrukken door het beeldlandschap beweegt.''

Jörg Immendorff: 35 schilderijen uit de afgelopen drie jaar. In het Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. T/m 19/11. Dag. 11-17 uur. Catalogus, 177 blz., ƒ 74,90.

    • Janneke Wesseling