Musea op bres voor Huis Doorn

Ruim twintig musea, verenigd in de Vereniging van Rijksgesubsidieerde Musea (VRM) in Amsterdam, protesteren tegen de voorgenomen sluiting van Museum Huis Doorn. In een gisteren verstuurde brief aan staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) doen zij het dringend verzoek dit voornemen niet uit te voeren. Zij wijzen erop dat Huis Doorn, de laatste verblijfplaats van de Duitse keizer Wilhelm II, `een zeer belangrijke taak' vervult in het behoud van het cultureel erfgoed. De musea - het gaat om een bedrag van 5 ton – vinden de maatregel onbegrijpelijk, ,,omdat deze leidt tot verbrokkeling en teloorgang van historisch cultureel erfgoed in plaats van tot een geïntegreerde benadering van het behoud ervan''.

Het betreft hier, zo schrijven de musea, dat deel van het erfgoed dat betrekking heeft op de Europese en meer specifiek de Duits-Nederlandse geschiedenis, inclusief de `nauwe dynastieke banden met het Oranjehuis'. Verontachtzaming van de historische rol van Huis Doorn zou volgens de VRM ,,bijdragen aan de – verdere – verschraling van de overheidsbijdrage aan de kennis van onze geschiedenis en die van de nabuurlanden.''

Huis Doorn bevat de bezittingen van Wilhelm II, die het kasteel in Doorn kocht na zijn verbanning in 1920 en er woonde tot zijn dood in 1941. De uitgebreide inventaris – 58 wagonladingen vol met onder meer meubels, kunstwerken, porselein, zilver boeken en foto's uit keizerlijk bezit – is er nog in zijn oorspronkelijke context. Het bevreemt de VRM dat de staatssecretaris het belang van de samenhang van landgoed, huis en collectie negeert, ,,nota bene op een moment dat Monumentenzorg de bescherming van eenheid van monument en interieur tot jaarthema heeft uitgeroepen''.

Onbegrijpelijk vinden de musea ook de voorgenomen afstoting `op termijn' van de collectie. Van der Ploeg wil dat het museum op 1 januari 2001 dicht gaat, de komende vier jaar mag alleen nog aan behoud en beheer worden gedaan, daarna zou de collectie moeten worden afgestoten. Hoe en aan wie is echter niet duidelijk en gevreesd wordt daarom voor het uiteenvallen van de collectie, die juist door zijn samenhang belangwekkend is. De musea wijzen daarnaast op de `zeldzame hoogtepunten' op het gebied van 18de-eeuwse hofkunst en Franse schilderkunst afkomstig uit de keizerlijke paleizen in Berlijn en Potsdam, de rijke fotocollectie en de topstukken van 19de-eeuws historisme, die nergens in Nederland worden geëvenaard.

Onder de 24 ondertekenaars zijn de directies van het Rijksmuseum, Van Gogh, Joods Historisch en Scheepvaartmuseum in Amsterdam, Museum Catharijneconvent in Utrecht, het Mauritshuis in Den Haag, het Rijksmuseum van Oudheden en Boerhave in Leiden, Teylers Museum in Haarlem en Kröller-Müller in Otterlo.