Meldplicht van advocaten is niet noodzakelijk

De strijd tegen de misdaad dreigt de zwijgplicht van de klassieke geheimhouders aan te tasten. Een meldplicht van advocaten is helemaal niet nodig om het zwartgeldcircuit aan te pakken, vindt P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

In Nederland bestaan een handjevol klassieke geheimhouders: de arts, de advocaat, notaris en geestelijke. Zij hebben een beroepsgeheim; wie dat schendt, is strafbaar (art. 272 Wetboek van Strafrecht). En zij hebben een verschoningsrecht (art. 191 Wetboek van Rechtsvordering; art. 218 Wetboek van Strafvordering) wegens het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene voor bijstand en advies moet kunnen wenden tot die arts, die advocaat, notaris en geestelijke. Dat belang weegt altijd zwaarder dan het belang gemoeid met de waarheidsvinding in het proces. Hun zwijgrecht is dus absoluut; een belangenafweging komt niet aan de orde, ook niet het bijzonder belang van de opsporing.

Er bestaan geen vertrouwelijke en minder vertrouwelijke gegevens. Zo wordt bij de burger onzekerheid voorkomen over de reikwijdte van de zwijgplicht, van het verschoningsrecht. Dat is in het belang van diezelfde burger omdat zijn belangen alleen maar goed kunnen worden behartigd als hij onvoorwaardelijk kan vertrouwen op het beroepsgebonden zwijgen.

Dat vertrouwen wordt zo serieus genomen dat de wetgever lang geleden heeft besloten de arts, de advocaat, notaris en geestelijke uit te zonderen van de aangifteplicht die iedereen heeft bij bepaalde misdrijven (art. 137 Wetboek van Strafrecht; art. 160 Wetboek van Strafvordering). Die verplichting geldt alleen voor heel ernstige misdrijven; het witwassen van misdaadgeld staat daar niet bij.

De stevig in de Nederlandse traditie verankerde zwijgplicht van de klassieke geheimhouders staat de laatste tijd onder druk. Vorig jaar zou de Raad van Hoofdcommissarissen een meldplicht voor medici willen invoeren om criminelen aan te geven. Maar zo mogelijk nog gevaarlijker zijn de Europese plannen voor een meldplicht voor advocaten van verdachte financiële transacties. Deze plannen houden verband met voorstellen om de Richtlijn 91/308/EEG aan te passen. Die richtlijn schrijft vooralsnog alleen financiële instellingen voor de autoriteiten van vermoedens van witwaspraktijken ten aanzien van de opbrengsten van drugs-handel op de hoogte te stellen.

De ervaringen tot dusverre met deze richtlijn hebben maar weinig gegevens opgeleverd. En voorzover er gegevens bekend zijn, gaat het om een gering aantal veroordelingen en zijn er geen hoge bedragen mee gemoeid. Daar zijn twee redenen voor. Het is bijzonder moeilijk een vaak zeer vernuftige witwaspraktijk als zodanig te herkennen; in de praktijk zijn volledig legitieme zaken amper te onderscheiden van witwaspraktijken. En vaak kan in de praktijk het causaal verband tussen het basisdelict en de witwaspraktijk niet worden aangetoond. Toch wordt er algemeen van uitgegaan dat van de richtlijn een preventieve werking uitgaat.

In de strijd tegen de misdaad wil de Europese Commissie nu de richtlijn op twee punten wijzigen. Het witwasverbod moet worden verruimd tot de opbrengsten van álle vormen van georganiseerde criminaliteit en de meldplicht zou nu ook moeten worden gelegd op bepaalde niet financiële activiteiten en beroepen. Aan de eerder gesignaleerde toepassingsproblemen wordt niets gedaan; de moeilijkheden nemen zelfs toe want niemand weet wat precies onder `georganiseerde criminaliteit' moet worden verstaan; een definitie ontbreekt. Criminele organisaties opereren onopvallend; aan hun streepjespakken herken je ze niet.

Maar veel ernstiger is dat de `witte tornado' ook de `ijzeren' zwijgplicht van de advocaat dreigt weg te spoelen. Hij wordt ongegeneerd genoemd in het rijtje niet-financiële beroepen die bepaalde activiteiten moeten noemen waarbij het risico van witwassen bijzonder hoog is. Plotseling is het belang bij opsporing van witwaspraktijken van hoger orde dan het al jarenlang onvoorwaardelijk erkende en fundamentele recht van de burger om zijn advocaat in vertrouwen te nemen. Iedereen weet toch dat zijn aanspraak op daadwerkelijke rechtshulp niet effectief is zonder het beroepsgeheim en dat juridisch advies deel uitmaakt van die rechtshulp?

Deze retorische vraagstelling kan gelukkig bevestigend worden beantwoord want afgelopen juni heeft het Europees Parlement de advocaat buiten de richtlijn geplaatst. Dat geldt ook als hij de cliënt onafhankelijk juridisch advies geeft omdat advocaten te allen tijde een zwijgplicht hebben, niet alleen wanneer zij een cliënt in rechte vertegenwoordigen. Natuurlijk mogen die adviezen niet worden verzocht met het doel om geld wit te wassen, laat staan dat ze met dat doel worden verstrekt. In de Richtlijnen van de Orde wordt de advocaten ingescherpt goed te onderzoeken met wie ze te maken hebben en waartoe hun dienstverlening wordt verzocht.

Als het redelijk vermoeden rijst dat hun diensten dreigen te worden misbruikt om misdaadgelden te helpen verhelen, dan is maar één reactie de goede: een duidelijke weigering. Meer niet. Want de advocaat die zijn weggestuurde cliënt ook nog eens gaat aangeven bij de officier van justitie pleegt verraad aan de samenleving. Omdat de maatschappij niet verwacht dat de balie speelt voor verlengde arm van justitie en politie. En daar ook geen behoefte aan heeft omdat er al een herkenbaar en uitvoerig (politie)apparaat bestaat. Het onzalig Brussels voornemen leidt alleen maar tot een verwarring van functies die niet bijdraagt tot een doorzichtige samenleving.

De actie van het Europees Parlement kon echter niet de zogeheten Ecofin-Raad overtuigen. De meldplicht zou zonder advocaten aanzienlijk minder effectief zijn, vinden een aantal Europese ministers van Financiën. Dat is een zorgelijke ontwikkeling, die door Nederland helaas niet onmiddellijk is afgestopt. Doelmatigheidsoverwegingen dreigen de overhand te krijgen boven de grondslagen van de rechtsstaat. Dat is een verkeerde benadering. Wat moet tellen in de ministerraad en in de Europese Raad van Ministers is dat een meldplicht van advocaten helemaal niet strikt noodzakelijk is om het doel, de bestrijding van het zwartgeldcircuit, te bereiken.

Mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt is Algemeen deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

    • P.J.M. Von Schmidt Auf Altenstadt