Handje contantje

De zon schijnt. Het zindert in de lucht. Geen gewoon gezinder het zijn de verten die ik voel en ruik. Middenin de stinkstad ruik ik de ontembare natuur. De niet te stelpen hang van ogenblikkelijk inpakken en wegwezen. Avontuur. Ik wil beken horen ruisen en eindeloze wandelingen maken. Ik wil weer eens helemaal alleen ervaren hoe een woud ruikt. Ik wil bij het opkomen van de zon een oeros voorbij horen stampen. De bronst wil ik meemaken van het edelhert en mijn eigen paringsdrift delen met een rondborstige boerin wier Provençaalse dialect ik niet versta, maar die maar al te goed begrijpt wat ik bedoel. Wat een prachtig mens ligt daar tussen de Zuid-Franse lavendel. Moet je die ogen zien glanzen in het avondrood. Tjongejonge, deze weduwe is nog zo goed als nieuw.

Ha, ha, wie doet me wat.

Kortom, ik ga vandaag gehoor geven aan Het gevoel van Columbus, zo onvergetelijk en virtuoos omschreven door onze ongeëvenaarde Montag. Geen getrein. Geen gevlieg deze keer. Ik koop een auto. Ik heb namelijk een rijbewijs. (Dat elke politieagent even tegen het licht houdt om te kijken of het wel echt is, maar kom op.) Op de hoek hier vlakbij naast het Waterlooplein staat al wekenlang een Duitse kwaliteitsdiesel naar me te lonken. Slechts drieduizend gulden compleet met ronde banden en rond stuur. Bouwjaartje 1985 en altijd bij twee blinde tantes in de garage in de Beemster gestaan.

Boter bij de vis. Handje contantje, het is nu een kwestie van gewoon rechtdoor rijden en ik ben in verre landen. Op naar het land van melk en honing. Ik heb een winter achter de rug van hard werken. Ze hebben me hier in eigen huis bij eigen haard genoeg getreiterd en gepiesakt. Ze zullen nog wel eens anders piepen als vader zo maar, bij stil weer, met de noorderzon is vertrokken. Terwijl ze nog van niks weten janken ze nu al...

Rikketik-rikketik, moet je die diesel horen.

Ratschkratsch-ratschkratsch, hoort dat er ook bij? Natuurlijk jij dwaas. Dat zijn de ondertonen, jij kent je 5000 cc weer eens niet. Lekker zonnetje buiten. Kom, draai het raam naast je open. Gezellig ouderwets, niet dat elektronische volautomatische gedoe. Dit is geen auto meer. Dit is een gebouw. Dit is een instituut. In Spanje noemen ze hem niet voor niets koets. Overigens ook een land waar ze me straks op de binnen- en buitenwegen zullen tegenkomen. Want als ik na vier weken op Frankrijk ben uitgekeken, wip ik de Pyreneeën even over. Wat zeg ik? Ik sla midden in Spanje linksaf en zoek in Portugal een Nederlands dichtersechtpaartje op, dat al jaren op mijn komst zit te wachten.

Dat raam krijg ik niet open. Ongevraagd valt dat tegenover hem met een klap naar beneden. Als ik straks in de berm in de Maasvallei ga picknicken, kijk ik er wel even naar. Bam, nu gaat toch ook het linkerraam open. Lekker fris, maar aan de tochtige kant. Het gaat toch niet regenen? Jawel, het gaat wel regenen. Ik heb voor de Brabantse buitenwegen gekozen en sta opeens in een file. Dat is geen file beste man, er staan een paar automobielen te wachten op de pont. Hutje bij mutje, keurig naast elkaar gaan staan op zo'n krappe schuit, valt nog niet mee, als je de omvang van je eigen auto nog niet geheel in de hand hebt. Ik moet dichter bij die meneer gaan staan. Nog een stukje, ja, ja, komt u maar iets meer naar links. Krak. Spiegel van die meneer eraf. Die had ik even over het hoofd gezien. 't Is een Brabander dus aardig. Niet ogenblikkelijk schelden zoals de taxichauffeurs in Amsterdam. Dat is dan vierhonderd gulden. Beste meteen betalen, anders raakt u uw no-claim kwijt.

Snelweg op. Even op zijn staart trappen. Regen en nog eens regen. Het spoelt links en rechts de auto binnen. Ik zie bijna niks, want mijn ruitenwisser voor me doet het niet. Op de pont had de juffrouw gezegd dat mijn achterdeur er wat lossig bijhing. Waait daar iets achter mijn rug open? Ik hoor nu alleen nog maar ratschkratsch-ratschkratsch. Ik verlies trouwens snelheid. Ik reed honderdtien en nu kom ik met plankgas niet boven de dertig. Er sleept toch niets achter me aan op de weg?

Dat raam naast me moet en zal dicht. Ik drijf hier weg. Verrek de deur. Ik vlieg bijna met deur en al naar buiten. Onweer. Bliksem en hagelstenen.

Politie. Aan de kant. De achterdeur valt in het gras. Papieren. Nou, nou, dat ziet er niet zo best uit voor meneer. Er zitten nog drie onbetaalde boetes op deze wagen. De wegenbelasting is al een heel jaar niet betaald. Slapen de collega's in Amsterdam? Geen APK-keuring. Trouwens, uw rijbewijs is verlopen. Hoe lang rijdt u al niet meer? Heeft u nog andere legitimatie? Paspoort? Ook verlopen.

Ik stamel dat ik deze auto vanochtend in een opwelling heb gekocht. Of ik wel vaker van dat soort spontane opwellingen heb vraagt de snedige politieagente met veel zitvlees in haar ruime herenpantalon.

Ik leg de deur keurig zoals het hoort op de achterbank. De politiemensen verwonderen zich er over dat ik met die spekgladde banden bij dit weer geen kettingbotsing heb veroorzaakt. Zelfs zij komen steeds weer voor verrassingen te staan.

Ik vraag naar de dichtstbijzijnde benzinepomp, ik ben tenslotte op weg naar de Provence. Frankrijk? Meneer, ik ga voor u de ANWB-wegsleepcentrale bellen. Met deze schroothoop wordt geen meter meer gereden. En door u al helemaal niet met al uw boetes en achterstalligheden. De acceptgiro's krijgt u thuis gestuurd.

Ik mag met de vriendelijke ANWB-wegsleepmeneer meeliften naar de sloperij, dan ben ik van alle ellende af. Moet ik natuurlijk wel lid worden van de ANWB voor driehonderd gulden. Pech voor u dat er alweer een half jaar opzit, nu betaalt u dus eigenlijk zeshonderd. De sloperij zal ook niet goedkoop zijn. Dat wordt gauw vijfhonderd gulden. Al bij al bent u er toch nog veilig vanaf gekomen. Ach stapt u even uit. Volgens mij valt uw linkervoordeur uit de takel.