Geblaat over Europa zinloos

De Europese droom hoeft geen nachtmerrie te worden: sterke nationale staten en een grotere EU zouden de vrees voor een dictatoriale superstaat moeten temperen, aldus Douglas Hurd. Eurosceptici jagen op spoken uit het verleden en verliezen het nationale belang soms uit het oog.

Tegen het einde van de zomer raken de Britse radioprogramma's vaak door hun stof heen. Zij redden zich daaruit door politieke oudgedienden te vragen welke ontwikkelingen in de wereld hun het meest zorgen baren. Nadat mij dit onlangs was overkomen, werd mij achteraf gevraagd waarom ik niet, als een van de dingen die ik vreesde, het Verdrag van Nice van de Europese Unie had genoemd, dat bij ratificatie de genadeslag zal toebrengen aan de identiteit van Groot-Brittannië als zelfstandige staat.

Het zou een vergissing zijn om deze bezorgdheid over een Europese superstaat af te doen als een idee van een paar gekken. Het Europa-debat in Groot-Brittannië wordt er goeddeels door gekleurd en vertekend. Een afspiegeling ervan is te zien in de campagne voor een referendum die in Denemarken wordt gevoerd.

Het concept van een groeiende supranationale autoriteit – zoals ontworpen door Jean Monnet en de grondleggers van het Europa van de Zes – is op zichzelf een fatsoenlijk en intelligent idee. Maar onrealistisch is het ook, en wel in hoofdzaak om twee redenen.

De eerste is de te verwachten uitbreiding: de Europese Unie telt nu vijftien leden, en dertien landen zitten te popelen in de wachtkamer. De mensen die de besprekingen voeren over het verdrag dat in december in Nice zal worden gesloten, zullen enkele kwesties moeten oplossen voordat de uitbreiding haar beslag kan krijgen.

Drie van die kwesties zijn bij het vorige verdrag, dat van Amsterdam, bij gebrek aan overeenstemming buiten schot gebleven: de omvang van de Commissie, het bij stemmingen vereiste type meerderheid, en de correctiefactor voor de stemmen van landen met meer inwoners. Deze `Amsterdamse kliekjes' zijn wel belangrijk, maar wanneer ze zijn opgelost zitten wij nog niet meteen met een superstaat.

De tweede reden ligt in de hardnekkige vitaliteit van de nationale staat, die niet alleen in Groot-Brittannië en Denemarken nog moeizaam het leven weet te rekken. Daarop doelde de Franse president Jacques Chirac toen hij zich in Berlijn uitsprak ,,niet voor een Verenigde Staten van Europa, maar voor een Verenigd Europa van Staten''.

Anders dan zijn voorgangers was het Verdrag van Maastricht een compromis. Het voorstel voor één Europese munteenheid betekende een volgende stap op de klassieke weg naar eenwording. Maar in dat verdrag werd voor het eerst ook de mogelijkheid geschapen van vooruitgang door afspraken tussen regeringen, zonder dat de rol van de Europese Commissie zou worden vergroot of de jurisdictie van het Europese Hof zou worden uitgebreid. Op die punten legde Groot-Brittannië de nadruk, maar zijn stem ging verloren in het tumult na Maastricht, dat voortkwam uit angst en misvattingen.

Toch vormt deze intergouvernementele aanpak het fundament van de weg waarop Europa sinds Maastricht is voortgeschreden. De afgelopen negen jaar heeft de Raad van Ministers terrein gewonnen, terwijl de Commissie een stap terug heeft gedaan. De Commissie heeft zichzelf geschaad door slecht toezicht en wanbeheer.

Zij is in haar mogelijkheden beperkt door het betrekkelijk kleine Europese budget, dat door de lidstaten is begrensd op 1,3 procent van het bruto binnenlands product – een fractie van het percentage dat de voorstanders van eenwording in deze fase hadden gehoopt te bereiken. Toen ik in 1989 minister van Buitenlandse Zaken werd, ging de Commissie zwanger van dure Europese voorstellen voor autosnelwegen, tunnels en hogesnelheidstreinen. Nu lijken die gloriedagen van Jacques Delors iets uit een ver verleden. Financiële terughoudendheid is thans het parool, zelfs bij links georiënteerde regeringen.

Op de topconferentie in Lissabon vorig najaar hebben de lidstaten geen zeggenschap over het economisch beleid afgestaan aan de Europese Commissie. In plaats daarvan hebben zij afspraken gemaakt over doelstellingen die iedere staat voor zichzelf zal nastreven, onder toezicht van de nationale parlementen. Eurosceptici in Groot-Brittannië vatten deze besluiten, en de verdragsbepalingen waarop zij zijn gebaseerd, op als werktuigen waarmee het Europese vasteland Groot-Brittannië de economische wet kan voorschrijven. Dat is onzin. De vrijwillige coördinatie van het economisch beleid op basis van beginselen die nauw aansluiten bij de Britse politieke consensus, is vanuit Brits standpunt bezien juist vrijwel ideaal.

Het andere grote intergouvernementele initiatief dat op stapel staat betreft defensie. Tegenstanders roepen dat wij dit Engels-Franse voorstel moeten laten vallen, omdat het leidt tot een `Europees leger'. Maar als – met de nadruk op `als' – wij de Europese staten (het Britse ministerie van Financiën inbegrepen) ertoe kunnen brengen de samenwerking op defensiegebied te verbeteren, dan kan Groot-Brittannië een deugdelijke Europese partner van de Verenigde Staten worden – wat van groot belang is als wij willen dat de eerstvolgende Amerikaanse president ons serieus neemt.

Groot-Brittannië zal het bezwaar onder ogen moeten zien dat het veelvuldigst wordt aangevoerd tegen de intergouvernementele aanpak, namelijk dat het zo moeilijk is om beslissingen tijdig te nemen. De nu al logge Raad van Ministers zal er met de uitbreiding alleen maar logger op worden. Om belangrijke besluiten via de Raad van Ministers door regeringen te kunnen laten nemen, in plaats van door een supranationaal bestuursorgaan, zullen wij ons redelijk moeten opstellen ten aanzien van de besluitvorming bij meerderheid van stemmen en de rol van de Commissie bij de uitvoering van het door de regeringen afgesproken beleid.

Deze redelijkheid zou ons des te gemakkelijker moeten vallen wanneer wij onszelf ervan kunnen overtuigen dat Europa niet op weg is een superstaat te worden. Groot-Brittannië wordt zó door zijn nachtmerrie geplaagd dat het zijn eigenbelang weleens uit het oog verliest. Het is in het belang van de Britten dat er een sterke Commissie en besluitvorming bij meerderheid van stemmen komen, teneinde de gezamenlijke markt te verwezenlijken en nogmaals te proberen het gemeenschappelijk landbouwbeleid te hervormen.

De Commissie blijft zich bezighouden met irritante kleinigheden, waarover zorgvuldig verslag wordt uitgebracht. Maar voor een groot deel doet zij goed werk. Waarom heeft Groot-Brittannië nooit een woord van lof over voor wat de commissarissen Mario Monti en Frits Bolkestein hebben bereikt op het gebied van de mededinging? Wanneer het Verenigd Koninkrijk voorstellen voor samenwerking eens zou beoordelen op hun merites, en niet op basis van allerlei angsten, kunnen er nog heel interessante dingen gebeuren. Zo heeft de Financial Times een overtuigend artikel gepubliceerd van de Spaanse commissaris Loyola de Palacio, waarin zij pleitte voor een Europees stelsel van luchtverkeersleiding. Als het veiliger zou blijken te zijn om vliegtuigen door middel van een Europees systeem van en naar Heathrow, Schiphol en Charles de Gaulle te leiden, zouden wij dat dan heus om ideologische redenen moeten laten?

Dit zijn vraagstukken waarvan het gezond verstand eist dat ze op Europees niveau worden opgelost. Hetzelfde zou weleens kunnen gelden voor de immigratie. Britten en anderen zouden er goed aan doen deze kwesties te beoordelen aan de hand van wat het best is voor de Europese bevolking, in plaats van domweg te blaten: `Nationaal stelsel goed, Eurostelsel slecht'.

Douglas Hurd is voormalig minister van Buitenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk.