Dopingdeskundige tegen wil en dank

Dopingdeskundige J. Marx, hoogleraar interne geneeskunde aan het Utrechts Medisch Centrum, gaf als commissielid van het IOC goedkeuring aan de Franse en Australische controles. Een gesprek over het einde van het EPO-tijdperk.

Hij heeft geen racefiets, maar als geboren Limburger is hij een enthousiaste wielerliefhebber. Jan Nolten en Wout Wagtmans waren zijn jeugdhelden. Tijdens de Tour de France zit hij op het puntje van zijn stoel. Deze zomer heeft hij weer met plezier gekeken naar de televisiebeelden. Hij heeft geen wetenschappelijke bewijzen, maar gevoelsmatig geeft hij de deelnemers aan de afgelopen Tour het voordeel van de twijfel.

,,Er leek sprake van eerlijke sport'', zegt prof. dr. J. Marx in zijn Utrechtse woning, op een steenworp van zijn werkplek aan de universiteit. ,,Er kwamen in de Tour veel onbekende namen bovendrijven, dat kan geen toeval zijn. De dreiging van controles heeft zijn uitwerking niet gemist. De wielrenunie heeft de Franse urinemonsters ingevroren. Nu de methode is goedgekeurd, kan een aantal renners alsnog tegen de lamp lopen. Maar er was duidelijk minder EPO in het spel. En het duurt nog heel lang voordat een even effectief middel op de markt komt. Er is één middel dat even goed werkt als EPO en dat is EPO.''

Marx noemt zichzelf ,,een dopingdeskundige tegen wil en dank''. Hij is een specialist op het gebied van ijzerstofwisseling. Als kenner van de rode bloedlichaampjes raakte hij steeds vaker betrokken bij de discussie over het gebruik van EPO in de topsport. Dit eiwithormoon vergroot de zuurstofopname. EPO was in de jaren negentig gemeengoed in de duursporten, een wondermiddel dat de prestaties met circa vijftien procent kon bevorderen.

Volgens Marx is het gevaar van EPO ,,niet in cijfers uit te drukken''. Berichten over dode wielrenners zal hij niet snel relateren aan het gebruik van EPO. Hij heeft kritiek geuit op de gezondheidscontroles van de internationale wielrenunie (UCI) die aan de hand van de hoogte van de hematocrietwaarde de coureurs een startverbod kan opleggen. In het wetenschappelijke blad The Lancet noemde hij deze controles in 1998 ,,een vorm van ongelijkheid''.

Twee jaar na de geruchtmakende publicatie verklaart hij zich nader. ,,Ik vind het hypocriet dat men over het gevaar van EPO rept, terwijl de gevaren op de weg vele malen groter zijn. De renners hoeven nog steeds geen helm te dragen tijdens een sprint of afdaling. Hoe bezorgd ben je dan als wielerbond?''

Volgens Marx waren de gezondheidscontroles vooral bedoeld om de competitievervalsing tegen te gaan. ,,Er was vóór 1997 sprake van een significante stijging van de hematocrietwaarde. De renners die geen EPO gebruikten, werden steeds meer benadeeld. De excessen zijn weggenomen door de gezondheidscontroles. Er waren dit seizoen geen renners die een hematocrietwaarde van 60 procent hadden. Maar waterdicht is het systeem van de UCI nooit geweest. Als wetenschapper had ik daar grote moeite mee.''

Marx begrijpt niet waarom een topsporter geen EPO mag injecteren om extra rode bloedlichaampjes te kweken, maar wél gebruik mag maken van een hoogtestage of een zuurstofkamer. ,,Je bereikt hetzelfde effect. Ik heb onderzoek gedaan naar de bloedspiegels van highlanders en lowlanders. De verschillen zijn groot. Een Nederlander is niet te vergelijken met een Colombiaan. Er is sprake van natuurlijke ongelijkheid.''

Als lid van een dopingcommissie van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft hij zijn bezwaren overboord gegooid. ,,Van mij mag een topsporter EPO gebruiken, maar als de spelregels het verbieden, is het goed dat de gebruiker gestraft wordt'', luidt zijn standpunt. ,,Het blijft een trieste zaak dat doping de uitslagen beïnvloedt. Niet de sporter vindt de trucjes uit, maar de wetenschapper en de fabrikant. Sport is big business. Geen enkel theater trekt zoveel publiek als de Tour.''

Marx is enthousiast over het Franse urineonderzoek en het Australische bloedonderzoek. Bij de Olympische Spelen in Sydney zal het controlesysteem naar gebruik van EPO eindelijk waterdicht zijn. De sporters worden eerst volgens de relatief goedkope Australische methode gecontroleerd. De `positieve gevallen' worden daarna onderworpen aan de Franse dopingtest. Ondertussen houden de Australiërs nog een tweede bloedtest achter de hand. ,,Bij die test valt EPO tot drie weken na de injectering op te sporen. Zelfs de meest voorzichtige gebruiker valt dan door de mand. Twijfelaars kiezen eieren voor hun geld'', zegt Marx stralend.

Hij noemt de eerste Australische bloedtest ,,een statistisch hoogstandje''. Ongeveer 1200 mensen zijn gebruikt als proefkonijn. Alle variabelen zijn opgenomen in het onderzoek: ras, sekse, doses, hoogte, klimaat, enzovoorts. ,,Er zullen geen mensen valselijk beschuldigd worden. Dat is maar goed ook, want de juristen liggen op de loer om een gigantische schadeclaim in te dienen.''

Nu het gebruik van EPO naar verwachting wordt stopgezet, kan Marx zich weer bezighouden met patiënten genezen. Onderzoek naar het gedrag van topsporters vindt hij minder interessant. ,,Dat heeft met geneeskunde weinig te maken. Maar ik zal de speciale sfeer zeker missen. In de sport zijn de mensen meer recht voor z'n raap dan in de wetenschap. Die mentaliteit is mij goed bevallen.''

    • Jaap Bloembergen