De gletsjer van het onderwijs

Gesteld dat nog deze week in Nederland een revolutionair zou opstaan, iemand met charisma, visie en politiek inzicht, en deze mens zou zeggen: `Zo gaat het niet langer! Om ons onderwijs uit zijn crisis te verlossen moet het salaris van alle leerkrachten met ingang van deze cursus worden verdubbeld!', en het hele volk was het er geestdriftig mee eens, dan nóg zou een deel van een generatie daar niets meer mee opschieten. Het deel dat de afgelopen tien jaar het slachtoffer is geworden van bezuinigingen, overspannen, opgebrande leraren, stinkende schoollokalen, gebrek aan lesmateriaal en wat in een klassieke Amerikaanse film Blackboard Jungle is genoemd. Een kind wordt maar één keer opgevoed. Wat het tussen zijn vijfde en zijn twaalfde niet leert, zal het nooit meer goed leren. Wat het tussen zijn twaalfde en twintigste heeft verzuimd, zal het de rest van zijn leven niet inhalen.

Met andere woorden, zult u zeggen, als het onderwijs nu ernstig begint zich aan zijn crisis te ontworstelen, door de verdubbeling van de salarissen, komt dus in 2007 voor het eerst weer een generatie Nederlandse kinderen in haar geheel van de lagere school, voorzien van de kennis waarop allen krachtens ons educatief gelijksheidsideaal recht hebben. Was dat maar waar. Eerst moet het tekort aan leerkrachten worden gecompenseerd. Een opleiding duurt vier jaar. De rekensom leert dat, in het ideale, theoretische geval, pas in 2011 alle kinderen, zonder uitzondering, toegerust met de kennis van de lagere school aan de rest van hun leven kunnen beginnen. Tegen 2020 bereikt een golf de universiteit. Het proces van opvoeding en onderwijs verloopt traag, als de beweging van een gletsjer. Aan de eindmorene kunnen we zien wat er aan de oorsprong en onderweg in terecht is gekomen.

Van tijd tot tijd komt het tot protesten. Docenten gaan staken, ouders hebben er genoeg van. De recente geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, zoals die in de media te vinden is, bestaat voor verreweg het grootste deel uit berichten over protesten. In deze krant van 6 november 1990 komt de jonge aardrijkskundeleraar Otto de Loor aan het woord. Hij voelt zich dan `verraden door de bonden' die wel ijveren `voor een betere begeleiding van stagiaires' en vechten voor het `opfrisverlof' dat de ouderen weerbaar moet houden, maar zich te weinig bekommeren om de beloning van de jongeren. ,,Het is een verkeerd politiek signaal voor studenten die moeten kiezen of ze het onderwijs in willen. Voor hen telt veel meer of ze een goed salaris ontvangen dan of ze straks goed worden begeleid.''

De tien jaar die daarop volgen, zijn rijk aan demonstraties, ludieke acties met gele kaarten en rijmpjes, in de Jaarbeurs en op het Binnenhof. Dan komen de conflicten tussen ouders en scholen over de vier- en de vijfdaagse schoolweek. Ministers en staatssecretarissen komen en gaan. Het vraagstuk van de `zwarte scholen' wordt ontdekt. Meer leraren kreunen of bezwijken onder de werkdruk. De problematiek wordt ingewikkelder en het slot is dat de kinderen er niet meer van leren. Nee, veel minder. Het onderwijs wordt slechter naarmate de problematiek ingewikkelder wordt, en de problematiek wordt ingewikkelder naarmate er minder geld is. Dat is de praktische onderwijswet, waarvan de onverbiddelijkheid de afgelopen tien jaar om het krap te nemen voortdurend bewezen is.

Bij het begin van deze cursus is weer een nieuwe fase aangebroken. De voormalige directeur-generaal van hoger onderwijs Roel in 't Veld heeft in de Volkskrant opgeroepen tot `burgerlijke ongehoorzaamheid'. Directies van scholen met achterstallig onderhoud, bijvoorbeeld, zouden zonder tijdrovende palavers, meteen een aannemer moeten laten komen en de rekening naar het ministerie sturen. Ouders krijgen de raad een proces aan te spannen om beter onderwijs voor hun kind af te dwingen. Van verscheidene kanten is deze revolutionair er intussen op attent gemaakt dat hij zelf mede verantwoordelijk is voor de crisis. In Het Parool maakt columnist Bart Tromp (Bericht uit de sovjetzone van de Nederlandse samenleving) duidelijk dat de universiteiten nog bezig zijn met het uitvoeren van bezuinigingen waartoe vorige kabinetten hebben besloten. Mevrouw Karina Schaapman heeft een proces aangespannen tegen de school van haar zoon, dat wel gewonnen, er een boek over geschreven (Schoolstrijd, ouders op de bres voor beter onderwijs ), maar, schrijft ze op 26 augustus in Het Parool, `de uitspraak veranderde het gedrag van de gemeente niet. Het personeelsbeleid is nog hetzelfde, het ziekteverzuim hoger dan ooit.' En nog een praktisch bezwaar tegen het advies van In 't Veld: na één onbetaalde rekening komt nooit meer een aannemer op uitnodiging van een schoolhoofd een school renoveren.

De nieuwe fase wordt behalve door meer verzet ook gekenmerkt door de aankondiging van het kabinet dat veel meer geld voor het onderwijs (en de openbare veiligheid) beschikbaar zal komen. Premier Kok, zijn toehoorders niet overschattend, heeft het vorige week nog gezegd: er komt twee miljard bij, `dat is tweeduizend miljoen gulden.' Ja, dat is veel geld. De vraag is, hoe en waaraan het zal worden uitgegeven. Gisteren bereidde staatssecretaris Adelmund zich nog voor op een verder `creatief schuiven' met de lesuren.

Zoals dat meer bij Nederlandse noodtoestanden het geval is, wordt gevraagd om een `brede maatschappelijke discussie'. Men herinnert zich de vorige, over `nut en noodzaak van Schiphol'. Een dergelijk debat, het paardenmiddel van de consensuscultuur, gaat altijd over een vraagstuk waarvan iedereen de oplossing eigenlijk al weet. Het resultaat is dat deze oplossing wordt uitgesteld, waarbij men uiteindelijk doet alsof de kosten van het uitstel niet meetellen. Dit is hier de overeenkomst: tussen grote infrastructurele projecten en het onderwijs. Het verschil is dat in dit geval de kosten worden verhaald op de kinderen die nu op school zitten en op de volwassenen die met slecht onderwijs in de maatschappij terecht zijn gekomen (vergelijk het met de treinpassagiers die moeten staan).

Deze cultuur, die van de vrije markt waarin uiteindelijk alles tot kosten en baten, d.w.z. geld wordt teruggebracht, laat zich onder meer herkennen in degenen aan wie ze het meest betaalt en waarvoor ze het meeste geld over heeft. We hoeven niet meteen naar de sterren van sport, entertainment en management te verwijzen. Gemeten naar hun verdienste voor het bewaren van de Nederlandse cultuur, zouden de besten moeten worden betaald als de gemiddelde televisiekomiek. Het hoeven niet meteen gebroeders De Boer te zijn. Op het ogenblik bereidt het Nederlandse onderwijs zich nog voor op de opleiding van meer analfabeten. Die worden later verwezen naar Postbus 51, zoals nu gebeurt met de omstreeks een miljoen analfabeten die er al zijn.

    • H.J.A. Hofland