BSE kan `stille sprong' maken

De gekke-koeienziekte BSE zou wel eens gevaarlijker kunnen zijn dan tot nu toe gedacht. Mogelijk zijn ook varkens en kippen besmet, zonder dat het opvalt.

Britse wetenschappers maakten gisteren bekend dat het besmettingsgevaar van de gekke-koeienziekte BSE misschien veel groter is dan tot nu toe werd gedacht. Uit nieuw onderzoek blijkt dat muizen de ziekte bij zich kunnen dragen zonder zelf ooit ziek te worden. De hersenen van deze muizen kunnen de besmetting echter wel degelijk overbrengen op andere dieren.

De Britse onderzoekers vrezen nu dat dit soort `stille vormen' van BSE in ander slachtvee – zoals varkens en kippen – over het hoofd is gezien. Het is volgens hen goed mogelijk dat de dieren wel besmet zijn, maar geen ziekteverschijnselen vertonen. Ze roepen op tot nader onderzoek.

Of er daadwerkelijk ernstige gezondheidsrisico's in het geding zijn, valt nog te bezien. De onderzoekers injecteerden hun muizen direct in de hersenen met infectieuze deeltjes. Dat staat ver af van de normale besmettingsroute: via het eten van vlees. De efficiëntie van de overdracht bepaalt of de ziekte zich kan verspreiden.

Gekke-koeienziekte wordt overgebracht door verkeerd gevouwen prioneiwitten. Als deze verkeerde eiwitten het lichaam binnendringen, zorgen ze ervoor dat de aanwezige gezonde prioneiwitten zich ook verkeerd gaan vouwen. De infectiedeeltjes werken als een mal. Prionen bevinden zich vooral in de hersenen en ander zenuwweefsel. Besmetting met gekke-koeienziekte leidt uiteindelijk tot het afsterven van bepaalde hersendelen.

De epidemie is in Engeland ontstaan nadat resten van met scrapie besmette schapen werden verwerkt in het voer van rundvee. De verwerking van karkassen in veevoer ging door totdat men eind jaren tachtig ontdekte dat de koeien er ziek van werden. De ernst van de epidemie werd pas duidelijk toen in 1995 ook mensen die rundvlees hadden gegeten besmet bleken en stierven aan de ziekte. Sindsdien staat het voer en het vlees van runderen onder strenge controle van de overheid. Uit voorzorg mogen hersenen en ruggenmerg niet meer in voeding verwerkt worden.

Kippen en varkens zijn in het verleden ook via het voer blootgesteld aan BSE en zouden dus op die manier ook een besmettingsroute naar de menselijke voedselketen kunnen vormen. Doordat deze dieren niet ziek werden ging men er vanuit dat ze niet gevoelig zijn voor BSE-besmetting. Het nieuwe onderzoek wijst er echter op dat ook dieren die niet ziek worden de besmetting in theorie kunnen overdragen. Of dat ook zo is, zal nader onderzoek moeten uitwijzen; tot nu toe is nooit vastgesteld dat varkens of kippen verkeerde prionen kunnen overbrengen.

Wetenschappers onder leiding van priondeskundige John Collinge van de Imperial College School of Medicine in Londen maakten gebruik van hamsters die besmet waren met de prionziekte BSE. Ze injecteerden muizen onder verdoving direct in de hersenen met een extract van de hersenen van besmette hamsters. Dit is de meest effectieve manier om de ziekte over brengen. Al eerder hadden wetenschappers geconstateerd dat muizen niet ziek worden van verkeerde hamsterprionen, en ook nu bleven de muizen gezond. Maar niemand had ooit gekeken of de hersenen van deze muizen besmettelijk zijn. Om dat te testen injecteerden Collinge en zijn medewerkers een extract van deze muizenhersenen in de hersenen van andere niet-geïnfecteerde muizen en hamsters. De muizen bleven opnieuw gezond, maar de hamsters werden ziek. De onderzoekers concluderen dat de prionziekte een `stille sprong' kan maken van de ene naar de andere diersoort. Ze publiceerden hun resultaten in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.