Toekomst Europa

Het politieke debat over de vraag hoe het verder moet met Europa grijpt terug naar het begrip `federatie'. De Schuman-verklaring van 9 mei 1950, waarmee de Europese integratie begon, stelde dat het onder gemeenschappelijk beheer brengen van grondstoffenproductie onder een Hoge Autoriteit de eerste concrete grondslag legt van een Europese federatie. Sindsdien speelt het woord federatie een rol in het avontuur van de Europese constructie. De precieze betekenis blijft echter onduidelijk.

Vanaf het geniale begin in 1950 is `Europa' een creatief proces `sui generis'. Het specifieke van deze creatie wordt het beste benaderd met het woord `gemeenschap'. Staten brachten eerst het beheer over hun kolen- en staalbedrijvigheid, later delen van hun nationale economie en beleidsterreinen (zoals landbouw en mededinging) `in gemeenschap'.

Bepalend kenmerk van die Europese Gemeenschap was de stichting van instituten: de Hoge Autoriteit (later de Europese Commissie), het Hof, het Europese Parlement en de Europese Raad. In Maastricht werden naast deze op gemeenschappelijkheid rustende `pilaar' van het Europese Huis twee, niet aan Gemeenschapinstituten onderworpen, pilaren toegevoegd – voor respectievelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en voor Binnenlandse Zaken en Justitie.

Deze constructie heeft de uitbreiding van de Gemeenschap – waarvan de instellingen voor zes leden waren ontworpen – tot een Unie van vijftien landen kunnen dragen. Voor verdere vergroting, tot wellicht dertig lidstaten, lijkt het bouwwerk ongeschikt. De vroegere Franse president Giscard d'Estaing meent dat Europa `federatie' en `gemeenschap' inventief kan verenigen. Is dit de goede richting? Misschien voor een kerngroep. Maar dan wel met de wezenlijke kenmerken van de Gemeenschap: de onafhankelijke Europese instellingen, verantwoordelijk voor de behartiging van het gemeenschapsbelang en de handhaving van het gemeenschapsrecht. Deze constructie leidde tot de ongeëvenaarde welvaartsgroei in stabiliteit die Europa na 1950 heeft genoten.