Ophef over eskimo is raar

Sinds het artikel over IJsbrand, de Hoornse eskimo (NRC Handelsblad, 20 juli), is sprake van merkwaardige ontwikkelingen. Speurwerk van een Hoornse journalist leverde namelijk op dat in de Groenlandse musea zonder enige gêne complete eskimomummies als trekpleister fungeren. Dat gebeurt onder meer in Nuuk met de vier vrouwen en twee kinderen die in 1972 vrijwel gaaf onder het ijs vandaan kwamen, terwijl het in Hoorn slechts gaat om huidresten. Het argument dat expositie van huidresten de zielenrust van de eskimo's ernstig verstoort, is dus kennelijk in hun geboorteland niet van toepassing. Grappig is ook dat men in Groenland van eskimo's spreekt en niet de term Inuk gebruikt, zoals die in Nederland door actievoerders wordt opgedrongen. Jammer bij de hele klucht rond de eskimo, die al twee eeuwen in Hoorn wordt bewaard, maar sedert de bruikleen voor een tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal zoveel opschudding veroorzaakt, is het mankeren van een duidelijk standpunt in de museumwereld over het weggeven van museumobjecten (ik gebruik met opzet niet de verwarrende term `teruggeven').

De Nederlandse Museum Vereniging heeft wijselijk onderscheid gemaakt tussen objecten in het algemeen en menselijke resten in het bijzonder. Daarbij kwam men tot de uitspraak dat menselijke resten dienden te worden gegeven aan verwanten die zich melden, waarbij DNA-onderzoek uitsluitsel moest geven. De Hoornse gemeenteraad heeft, na interventie van de Deense ambassadeur, dat advies wat de eskimo betreft verruimd tot het genoegen nemen met een DNA-onderzoek dat zou uitwijzen dat het inderdaad om een eskimo gaat. Om de interessante vraag of de musea in het Westen nu beginnen aan een massale uitdeling van objecten aan de landen van herkomst, draait men echter heen als een kat om de hete brij, terwijl de eskimokwestie door landen die menen aanspraak te kunnen maken op museumvoorwerpen in het Westen met argusogen wordt gevolgd.

Het wordt tijd om terzake duidelijk stelling te nemen, zeker na het voorbeeld van de onzalige wet in de VS waarbij men de musea heeft geplunderd om spullen aan de indianen terug te geven. Een van de meest ongemakkelijke vragen die men in de VS kan stellen is waar die zaken nu gebleven zijn.

Om twee redenen moet niet klakkeloos aan de uitdeling worden begonnen. Ten eerste: de suggestie van bijvoorbeeld actievoerders dat alle museumvoorwerpen uit de voormalige koloniën zijn geroofd, doet geen recht aan al die wetenschappers die met veel zorg collecties hebben aangelegd. In de tweede plaats weet iedereen die wel eens een museum in de tropen bezoekt, dat daar nog maar weinig instellingen zijn waar museumobjecten dusdanig kunnen worden bewaard dat ze nog enige tijd meegaan. Dat men daar zo makkelijk overheen stapt is des te merkwaardiger als men kennisneemt van de tot in het absurde opgeschroefde eisen wat betreft klimaat, transport en beveiliging die bijvoorbeeld de Nederlandse musea stellen in het onderling bruikleenverkeer.

Laat men ophouden zich uit een soort post-koloniaal schuldgevoel te verschuilen achter vage termen, maar ronduit stellen dat de zaken in ieders belang blijven waar ze zijn en, mits aan de gebruikelijke voorwaarden kan worden voldaan, voor korte of langere tijd kunnen worden uitgeleend.

    • Ruud Spruit
    • Directeur Westfries Museum