Laat het hoger onderwijsbestel los

Een nieuwe bachelor- en masterstructuur kan, mits doordacht ingevoerd, een aanzienlijke kwaliteitsverbetering opleveren voor het hoger onderwijs, menen Linda de Greef en Bert de Reuver.

Onlangs kwam het advies van de Onderwijsraad (het rapport Rinnooy Kan) uit over de bachelor- en masterstructuur. Medewerkers van het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS) van de Universiteit Twente, maakten zich er onlangs op deze pagina zorgen over dat op langere termijn het onderscheid tussen hogeschool en universiteit verder zal vervagen. Is die vrees gegrond? Nu zijn academische opleidingen vlees noch vis: voor een wetenschappelijke carrière bieden zij te weinig stimulans, maar zij leveren ook geen nieuwe generatie academische professionals af. Kan de invoering van bachelors en masters juist niet fungeren als de noodzakelijk injectie om dit vastgedraaide systeem een nieuwe oriëntatie te geven?

Wat academische vorming was, was tot de jaren zeventig bijna vanzelfsprekend. Dat gold ook voor het prestige dat was verbonden aan studeren en doceren. Symptomatisch voor de huidige oriëntatiecrisis van universiteiten is dat ook maar de geringste overeenstemming over wat academische vorming is, volledig ontbreekt. Colleges van bestuur, decanen, hoogleraren, en docenten hebben daar zeer uiteenlopende opvattingen over. Op de buitenwacht maakt dat natuurlijk een weinig geloofwaardige indruk.

Om de kwaliteit van het academisch onderwijs weer op peil te brengen, is een ingrijpende verandering nodig. De invoering van de nieuwe bachelor- en masterstructuur kan een nieuw kader scheppen.

Met de invoering van de nieuwe structuur is het noodzaak dat instellingen voor hoger onderwijs zich een duidelijk profiel aanmeten. Profilering vraagt om een helder academisch concept en kwaliteitsverbetering; hiermee kan ook in één keer worden afgerekend met kritiek op verschoolsing, verloedering en verschraling.

Het terugbrengen van het aantal opleidingen per instelling en de selectie van studenten is maar een kleine greep uit het arsenaal van mogelijkheden voor universiteiten om de academische traditie te versterken. De invoering van de bachelor- en masterstructuur biedt kansen voor de ontwikkeling van flexibele, vraaggerichte opleidingen. Verder vereist de toenemende concurrentie op de onderwijsmarkt in een klein land als Nederland, een goede aansluiting op een internationaal onderwijsstelsel. Dankzij een nieuwe structuur kunnen we afkomen van de in het buitenland onbegrepen doctorandustitel.

De invoering van bachelors en masters biedt de mogelijkheid om een nieuwe standaard voor academisch onderwijs te ontwikkelen, maar vormt daarvoor geen garantie. Als deze ingrijpende verandering niet doordacht en planmatig plaatsvindt, zal dit leiden totverschraling. Zo'n grootschalige en ingrijpende onderwijsvernieuwing als de invoering van de bachelor- en masterstructuur, kan makkelijk resulteren in een fiasco.

Wat zijn de valkuilen? Allereerst is er de blunder om onder de noemer van onderwijsvernieuwing het oude te behouden, maar dan onder een nieuwe naam – het zogenoemde wisselen van etiketten. Dit is de beste methode om de kwaliteit van het huidige hoger onderwijs onderuit te halen. Een van de achterliggende doelstellingen van deze onderwijsvernieuwing, internationalisering, illustreert dit. Een eenduidige diplomawaardering alleen zorgt nog niet voor een optimaal internationaal onderwijsklimaat, waarin studenten zonder grote obstakels een masteropleiding in het buitenland kunnen volgen. Inspelen op de verschillende achtergronden van buitenlandse studenten, een krachtige begeleidingsstructuur en goede opvangmogelijkheden zijn hiervoor onmisbaar. Door alleen nieuwe etiketten te plakken, boek je geen vooruitgang. Sterker nog: alle energie die gaat zitten in gekibbel over nieuwe namen en titulaturen leidt af van de kwaliteitsverbetering van het onderwijs.

Een andere adder onder het gras is de neiging om bij deze ingrijpende verandering vast te houden aan een conservatieve werkwijze. De terughoudende overheidssturing biedt volop kansen aan instellingen zich te profileren. Dat vraagt om een duidelijke visie op het aangeboden `product', dat wil zeggen op een onderwijsconcept. Met de invoering van onderwijsinstituten is hiervoor een heldere structuur aangeboden. Nu is het ook nog een kwestie deze structuur te gebruiken. Geen strijdende wetenschappers die schaven aan de huidige, aanbodgestuurde onderwijsprogramma's, maar het toelaten van de inbreng van studenten en werkgevers. Het onderwijsaanbod afstemmen op de markt betekent niet je ziel aan de duivel verkopen. Het leidt tot een gedifferentieerd aanbod van onderwijsprogramma's, waarin de ontwikkelingen in een wetenschapsgebied, de leerbehoeften van studenten en de eisen vanuit de samenleving samenkomen.

Laat het huidige onderwijsbestel los. Het advies in het rapport van Rinnooy Kan om de bachelor te laten functioneren als een soort tussendiploma, als knik, en niet als afsluiting van een opleiding is een voorbeeld van de fout die we kunnen maken bij deze onderwijsvernieuwing.

Verder komt de onzekerheid die er nu heerst binnen de universiteit, die zich uit in lange discussies over de vraag wat academisch vorming nu precies is, niemand ten goede, zeker niet de universiteiten zelf. Vooruitkijken, vertrouwen in je product en je klant hebben, zijn de minimale voorwaarden om deze exercitie te laten slagen.

De nieuwe bachelor- en masterstructuur is – mits doordacht ingevoerd en zorgvuldig begeleid – een grote kentering en kan een aanzienlijke kwaliteitsverbetering opleveren. In het oude bestel van monopolistische concurrentie was het voor docenten mogelijk om – juist met een beroep op hun academische vrijheid – zich intelligent aan samenwerking en beoogd beleid te onttrekken. Onder de nieuwe concurrerende verhoudingen zullen instellingen waar samenwerking op onderwijsgebied onvoldoende aardt, direct worden afgestraft, omdat scholieren, studenten en bedrijven, veel sneller in de gaten zullen hebben tot welke kwaliteit dat leidt. Kritische studenten en werkgevers leiden niet tot economisering van het academisch onderwijs, maar prikkelen tot een inspanning die bij uitstek bij een universiteit past: een streven naar de hoogst mogelijke kwaliteit.

Linda de Greef en Bert de Reuver zijn verbonden aan het Instituut voor Interdisciplinaire Opleidingen van de Universiteit van Amsterdam.

    • Linda de Greef
    • Bert de Reuver