Hand op de knip

De tijd van de `zeepbel' is lang vervlogen. Japanners houden hun geld in de zak. Ze consumeren al jarenlang mondjesmaat, zelfs op vis – populair volksvoedsel – bezuinigen ze. De middenstand klaagt; 30 tot 40 procent van de winkeliers in Tokio denkt de deuren binnenkort te moeten sluiten.

De markt van Ameyokocho is een van de goedkoopste plekken in Tokio om spullen te kopen en verwerkt tienduizenden klanten per dag. De markt bevindt zich onder en naast spoorlijnen die op drie hoog door de wijk Ueno lopen. Onder het spoor een wirwar aan stalletjes met parfum, kleding, zonnebrillen en andere snuisterijen. Langs de spoorbaan vis, groenten, vers gesneden ananas voor de dorstige keel en kruiden uit alle delen van Azië. Ameyokocho biedt koopjes voor de Japanse consument, die al enkele jaren weigert zijn geld uit te geven. De omzet van supermarkten en grote warenhuizen daalt sinds 1997 met procenten per jaar. Een aantal warenhuisketens, gespecialiseerd in luxe producten, heeft filialen in het centrum van Tokio moeten sluiten en de keten Sogo ging vorige maand zelfs geheel failliet. Het zou niet vreemd zijn als Ameyokocho profiteert van de kopersstaking, maar een ouder echtpaar knikt mismoedig. Ze verkopen alleen zeewier in hun zaak, een simpel levensmiddel dat weinig conjunctuurgevoelig lijkt te zijn. `Lijkt' is het juiste woord want de verkoop is ,,20-30 procent lager dan tien jaar terug''.

`Tien jaar terug' was het hoogtepunt van de `zeepbel', de hausse in grond- en aandelenprijzen die Japan economisch onoverwinnelijk deed overkomen. Tien jaar terug is ook het moment waarop hij deze zaak overnam van een voorganger, maar sindsdien is zelfs met deze handel geen droog brood meer te verdienen. ,,Als ik de kosten voor aanschaf van deze zaak zou meerekenen maak ik dik verlies'', zegt de baas. Hoe hij die kosten uit de balans weet te houden blijft onduidelijk. Liever praat hij over de hedendaagse klant waarop ,,geen peil meer valt te trekken''. De reden is dat een belangrijk deel van de omzet van alle middenstanders bestaat uit de giften die Japanners elkaar met de jaarwisseling en in midzomer sturen. Drank, koffie, ingemaakt voedsel of ook zeewier. ,,Het ene jaar stuurt men pakketten van 5.000 yen (120 gulden), het volgende jaar opeens maar 4.000 en blijf ik met de duurdere pakketten zitten.''

Om te overleven heeft deze man zich gestort op de verkoop van goedkoper zeewier uit Zuid-Korea. Maar om er iets aan te verdienen is een sluiproute nodig. ,,Kijk maar. Dit is geen officiële importwaar. Een Koreaan kwam langs met de vraag of ik interesse had. Hij stuurt z'n waar in dozen per gewone post en ik betaal contant of op een bankrekening hier in Japan. Als ik het langs de officiële weg zou importeren komt er in Korea en hier een handelshuis tussen en die kosten zouden het zinloos maken.''

Andere handelaren blijken minder spraakzaam over hun methoden om te overleven; wellicht omdat ook zij minder zuivere methodes toepassen. Bij een visboer is het antwoord op de vraag of de baas aanwezig is een koel `geen idee, sorry', terwijl achter in de zaak een man papierwerk aan het afhandelen is. Ook een handelaar in golfclubs – golf was de grote rage in de `zeepbel-tijd' – houdt zich liever op de vlakte. Al krantenlezend wil hij wel kwijt dat de omzet ,,30 tot 40 procent'' is gedaald en 20 procent van het personeel de deur uit is gestuurd. Hoe hij dan het hoofd boven water houdt? Helaas, z'n krant wacht en mijn tijd is om.

Aan de rand van de markt zit de wijd en zijd bekende vishandel Yoshi'ike. Een grote zaak met aquaria voor verse schaaldieren, een lange rij bakken met verse vis op ijs en grote vrieskisten voor het minder verse spul. Een man of twintig loopt rond om de klanten te bedienen. Meer dan de helft van deze klanten bestaat uit uitbaters van kleine eethuisjes in de buurt voor wie het niet loont om elke dag zelf naar de visafslag te gaan, meent manager Kitamura. Yoshi'ike is namelijk door zijn slimme manier van inkopen net zo goedkoop. Ook hij moet erkennen dat z'n omzet zo'n 10 procent minder is dan in de glorietijd tien jaar terug. Zelfs op vis, wereldwijd synoniem voor Japans eten, bezuinigt de Japanner.

Gaat het dan nergens goed? Op een winderige stadsuitbreiding in de baai van Tokio staat een grauw, onbestemd pand waarlangs een lange rij auto's langzaam omhoog kruipt naar de parkeergarage op het dak. Dit is het winkelcentrum VenusFort, deze maand precies één jaar oud. Binnen loopt de bezoeker langs neoklassieke, Europese gevels via het `Plein van Verlangen', langs luxe modezaken en restaurants als Donatello's en Portofino via de Rue du Soleil naar het `Kerkplein' waar voor een Romaanse kerkgevel lasershows wachten. Aan het kerkplein lokt een restaurant de bezoeker met het speciale menu Aphrodite. Het plafond toont een blauwe hemel die langzaam overgaat in avondschemering, elke twee uur.

Op een zondagmiddag is VenusFort vol met jonge vrouwen in kleine groepjes of jonge stellen. Doelgroep is natuurlijk de jonge vrouw, die de laatste koopkrachtige klant lijkt te zijn en zich hier in elegant Europa kan wanen. ,,Alleenstaande, werkende vrouwen zijn ons beste publiek'', zegt manager Hiroshi Sasaki van modezaak BCBG MaxAzria waar een kledingstuk al gauw duizend à tweeduizend gulden doet. Vrouwen stellen huwelijk en kinderen steeds verder uit en in Japans krappe woningmarkt blijven ze lang thuis wonen, zodat feitelijk al hun geld zakgeld is, vrij om uit te geven aan kleding en vakanties.

Tegenover de vrouwen die van hun jonge jaren de tijd van hun leven willen maken staat bijvoorbeeld een even jonge mannelijke werknemer van Honda. Ook hij is vrijgezel en betaalt vrijwel niets voor zijn woning, want daarin voorziet de baas. Desondanks heeft hij geen enkele behoefte om geld uit te geven. Terwijl de overheid al maanden spreekt over voorzichtig herstel noemt hij de economische vooruitzichten nog altijd ,,angstaanjagend''. Ook al gaat het vooralsnog goed met zijn werkgever, ook al heeft hij geen vrouw en kinderen om te onderhouden, toch is hij onzeker over de toekomst. Eerst sparen, dan pas uitgeven, is zijn devies. Bij werkloosheid is hij namelijk direct z'n goedkope woonruimte kwijt en een uitkering loopt korter dan een jaar.

Sommige economen menen dat de extreem lage rente mensen zou bewegen hun geld uit te geven aangezien een spaarrekening niets oplevert. De jonge Honda-werknemer meent echter dat het eerder een reden is meer te sparen: ,,De nul-procent-rente is uitermate onrechtvaardig. Het gratis geld, en ook de grote uitgaven aan publieke werken komen alleen tegoed aan bedrijven die aan de LDP (de regeringspartij) gelieerd zijn.'' Zodoende is voor hem het huidige regeringsbeleid juist reden geen vertrouwen te hebben in de toekomst en de lage rente op zijn spaarrekening juist te compenseren door extra te sparen.

Dit lijkt de trend te zijn bij de meerderheid van de Japanse huishoudens, want de uitgaven van huishoudens zijn al een jaar aan het dalen. Uitgaven van mensen in loondienst daalden 2,6 procent in juni in vergelijking met een jaar eerder, zo maakte de overheid afgelopen maand bekend. Het aandeel van het inkomen dat aan consumptie werd besteed steeg daarbij heel licht van 72,9 naar 73,2 procent. Dit wijst op dalende inkomens waarbij deze daling niet ten koste gaat van de besparingen, maar grotendeels ten koste van de consumptie. Op dit punt gloort echter hoop, want de centrale bank stelde half augustus dat er een einde is gekomen aan de daling van de inkomens. Weinig hoop gloort er voor de kleine middenstanders in Tokio, zoals de zaken rondom de markt van Ameyokocho. Eind juni maakte Tokio bekend dat 30 tot 40 procent van de 130.000 middenstanders in de stad van plan is binnenkort de deuren te sluiten, met name de handelaren in verse producten als groenten en vis. ,,Als we niets doen om ze te redden, krijgen we een ramp'', zei ambtenaar Takashi Nakazawa bij de bekendmaking van deze onderzoeksresultaten. De gemiddelde middenstander is rond de zestig jaar, zijn zaak maakt geen winst en zijn kinderen zien daarom geen enkele reden de zaak over te nemen. Financiële reserves of ruim bankkrediet hebben ze niet en dus rest slechts sluiting. Tokio breekt zich het hoofd om deze buurtwinkels toch te redden om het gemeenschapsleven niet al te veel te ontwrichten.

Maar zoals de zeewierhandelaar klaagde over de kosten die formele import van Koreaanse producten met zich mee zou brengen, zo zijn het de winkels die buiten gebaande paden treden om toch nog winst te maken. Een voorbeeld is de firma Daiso die zogeheten `100 yen shops' uitbaat. Alle producten, van notitieblokjes tot wijnglazen en kinderspeelgoed, hebben dezelfde prijs: 100 yen (2,20 gulden). Daiso zegt ver onder de gewone prijs te kunnen verkopen wegens grootschalige, directe inkoop bij de producent. Het bedrijf zag de omzet in vier jaar tijd stijgen van 2,3 miljard naar 140 miljard yen (ruim 3 miljard gulden). En terwijl het tijdens de `zeepbel' mogelijk was volledig intacte televisietoestellen en koelkasten langs de straat te vinden omdat het model was verouderd, zo springen nu winkels met zulke tweedehands goederen als paddestoelen uit de grond. Zelfs handtassen van Gucci of Chanel zijn tegenwoordig in zulke zaken te vinden. De recessie heeft de Japanse consument kieskeurig gemaakt.

Positieve geluiden zijn ook te horen rond de zogenoemde convenience stores, in Japan afgekort tot konbini. Deze winkels zijn 24 uur per dag open en verkopen drank, instant voedsel, tijdschriften en toiletartikelen. Dat zijn de belangrijkste producten die een student of alleenstaande jongere nodig heeft. Een beperkt aantal ketens domineert deze markt en wegens de felle concurrentie zijn de prijzen dalende en zoekt men permanent naar nieuwe trends.

Daartoe behoort onder meer e-commerce, ook al staat dat in Japan nog pas in de kinderschoenen. De Japanse consument blijkt huiverig te zijn voor elektronische betaling en dus is e-commerce in Japan grotendeels semi-e-commerce. Men plaats via internet een opdracht en laat het product naar een konbini in de eigen buurt sturen. Daar moet de klant het zelf ophalen en kan dus ook de rekening ter plekke contant betalen.

De firma Ito-Yokado, eigenaar van de convenience-store keten Seven-Eleven, is het meest ambitieus. Het bedrijf wil gebruik maken van de liberalisering in de financiële sector door een eigen bank op te zetten. Een werkende jongere in Tokio kan zo een volledige Seven-Eleven-junk worden. Ook al neemt hij na het werk de tijd om zich met collega's in eethuis en karaoke-bar uit te leven, het is geen enkel probleem om rond middernacht bij Seven-Eleven de bankzaken te regelen, de via internet bestelde cd-speler en concertkaartjes op te pikken en tegelijkertijd koffie en cornflakes voor het ontbijt van de volgende dag te kopen.

De enigen die niet blij zijn met deze ontwikkeling zullen de tienduizenden vis-, tofu- en groenteboeren in Tokio zijn die op het punt staan hun winkel te sluiten.