Rihm ranselt het slechte weg, voor het schone komt

Het beeld van een naakt dansende en schor schreeuwende Nietzsche, begluurd vanuit een sleutelgat, vormde vrijdagavond in het Amsterdamse Concertgebouw een associatie met Wolfgang Rihms Concerto dithyrambe (1999-2000) voor strijkkwartet en klein orkest in opdracht van het Concertgebouworkest, het Cleveland Orchestra en het Festival in Straatsburg.

Het beeld van de krankzinnig geworden Nietzsche werd indirect door Rihm zelf in een voorgesprek aangereikt. Als een dithyrambisch wilde dans begint het concert fortissimo. Triolen rollen van de hoge strijkers uit het kwartet, opgejaagd door de nerveuze cello in langere omhoog strevende lijnen, die leiden tot stijgende exaltatie. Voeg daarbij de wild klepperende akkoordrepetities in een meer majesteitelijke kracht. Het slot had Rihm eerst ontleend aan Blaubuch (1984), in feite zijn zesde strijkkwartet, nu uitgebreid met een twaalftal verstild vervliegende klanken van de cymbales antiques, het enige tonale element in de turbulente atonale massa.

Daarnaartoe werkte Rihm zijn dans uit, nog puttend uit het materiaal van de Quartettsatz nr. 9 uit 1993 met een fraaie epiloog voor de altviool. Soms denk je wel eens: dáár gaat het Rihm om. Al het slechte moet er eerst uitgeranseld worden voordat de schoonheid zich mag ontplooien. Het 45-koppige vrij kleine orkest, met fluwelen A-klarinetten en de fagot in een opmerkelijk hoge ligging, blijft doorzichtig. Wel verandert de begeleiding een enkele maal. Meestal klinkt het orkest vrij wazig — titels als Dämmerung en Schwebende Begegnung wijzen op Rihms voorliefde — maar soms treedt het orkest als bij Alban Berg in unisoni naar voren, het kwartet tijdelijk degraderend tot begeleiding. Het tweede gedeelte is afwisselender. Het begin is mij toch te eenvormig en Rihm moet het nu eenmaal hebben van contrastwerking. Het slot is magnifiek: uitgeput ploffen we met Nietzsche neer op het donzen bed van de zacht verende cymbalen.

De uitvoering was voorbeeldig en de Arditti's toonden zich virtuozer dan ooit. Chailly heeft iets met Rihm, op zijn eerste concert met dit orkest in 1986 dirigeerde hij Rihms Schwarzer und Roter Tanz uit Tutuguri met klanken als van klokken en kanonnen.

Hindemiths Symfonische metamorfose (1943) maakte vergeleken met Rihm een ietwat oubollige indruk, al valt hier voor de diverse orkestgroepen wel eer te behalen. Van een geheel andere orde was de uitvoering van Bartóks indrukwekkende Muziek voor snaren, slagwerk en celesta uit 1936. Niet zelden sluipt er in de langzame delen iets larmoyants, waarin zeker in het begin de melodie zich om zichzelf kronkelt. Bij Dante staat de cirkel symbool voor de hel en de rechte lijn voor de hemel. Bartók kende zijn Divina Comedia, hij leerde zichzelf Turks met een Turkse vertaling van De Hel. Vaak begint hij chromatisch rondtollend om in de finale met hetzelfde materiaal een diatonische rechte lijn te trekken in een bevrijdende beweging. Maar Chailly kent geen larmoyante muziek. Hij is uit op helderheid en ritmische profilering. Zeker de `hymnische dithyrambe van de finale' trof als een vuistslag, alle energieën nog eenmaal verzameld.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest, Arditti Kwartet o.l.v. R. Chailly. Gehoord: 25/8 Concertgebouw Amsterdam.

    • Ernst Vermeulen