Gewijde muziek met fratsen en sobere piëteit

Hoewel het Holland Festival Oude Muziek Utrecht zoals in dit Bach-jaar te verwachten viel, vrijdagavond opende met muziek van Bach, ging zaterdagmiddag vooral de aandacht uit naar Händel, naar diens `sacred oratorio' Messiah in een geënsceneerde productie door Eric Fraad voor het John Jay College Theater in New York. Tenslotte werd Esther, waarmee Händel zijn loopbaan als Engels oratoriumcomponist was begonnen, enkele malen scènisch opgevoerd, totdat de Londense bisschop ingreep.

Je vraagt je af wat Händel gevonden had van Fraads visie, waarin in de eerste acte de pasgeboren Messias als een volwassen man, slechts gekleed in een luierbroekje, over het toneel had zien rennen. Fraad plaatst de handeling in het oudste krankzinnigengesticht, het Londense Bethelehem Royal Hospital, waarin patiënten een kuur ondergaan door onder meer te participeren in het laatste oordeel. Huib Emmer situeerde zijn opera William Blake in Hell, dat zich afspeelt in hetzelfde hospitaal, in een oud kapelletje. Fraads Messiah speelt zich echter af in een koel betegelde hoogst moderne inrichting, met het oude Hospital waar patiënten in hun eigen stront geketend lagen, had dit allemaal niets van doen. Met een vrolijke popart-setting des te meer, aanvankelijk wel onderhoudend maar vooral ook maf.

In de tweede acte, in navolging van Assepoesters muiltje, wordt iedere patiënt een doornenkroon gepast. De echte Jezus is dan allang als in het sprookje weggestuurd. Helaas, in de derde acte zijn Fraads ideeën op. Lijzigheid is troef en gelukkig des te beter voor de muziek die nu ongestoord fraai kon vloeien uit de goed getrainde kelen van Ex tempore kon vloeien, vaardig begeleid door instrumentale leden van de Neue Düsseldorfer Hofmusik. En dat van de solisten vooral de struise Zweedse alt Ann Hallenberg hoge ogen zou gooien, was voorspelbaar, gehoord haar voorgaande prestaties in het Festival. Het Utrechtse publiek vermaakte zich opperbest met Fraads fratsen en wat dan bijvoorbeeld de zin is van een rabijn die aan komt zetten met het Communistisch Manifest moeten we ons maar niet afvragen, bizarrerieën dienden het vermaak.

Wat een verschil met de piëteitsvolle sober toegewijde uitvoering door de Capella Ducale aangevuld met Musica Fiata van de Missa et Motetti pro defunctis van Johann Rosenmüller (circa 1619-1684). Zelfs té toegewijd, dirigent-cornettist Roland Wilson wachtte respectvol na elke frase, waardoor de muziek nauwelijks vloeide. Verder viel er niets op aan te merken. Treffend waren ondermeer de schitterende versieringen, bedacht door de countertenor Patrick van Goethem, en een karaktervolle, hooguit wat te eenzijdig martiale bijdrage van bas Harry van de Kamp.

Dat Rosenmüller veel gemeen heeft met Schütz is niet onlogisch, hij werkte tenslotte als diens vertegenwoordiger in Leipzig. De verhouding tussen Rosenmüller en Schütz lijkt op die tussen Cavalli en Monteverdi, op dezelfde manier in leeftijd verschillend. Pioniers als Monteverdi en Schütz componeerden dramatisch gespannen tot op de vierkante millimeter, Cavalli en Rosenmüller profiteerden van deze verworvenheden in lichtere langere lijnen. Dat Rosenmüllers zeldzaam fraaie dodenmuziek tot klinken kwam in het kader van het thema `Plusminus Bach' was zeker terecht. Al was het maar omdat Bach in zijn cantate Wer weiss, wie nahe mir mein Ende uit 1731 Rosenmüllers vijfstemmige Welt ade, ich bin dein müde incorporeert. Dit letterlijke citaat werd lang voor werk van Bach gehouden.

Dan is er nog het thema `Karel V en de muziek van zijn tijd'. Zowel de geconcentreerde Chapelle du Roi als het wat gullere Ensemble Currende wijdden zich daaraan op gezaghebbende wijze en beiden zongen dezelfde muziek van Nicolaas Gombert (1490-1556), een belangrijk lid van Karels kapel, die de keizer vergezelde op zijn reizen door Spanje, Italië, Oostenrijk, Duitsland, de Nederlanden en Frankrijk. Altijd leest men over zijn verstrengeling van stemmen, over de gigantische wirwar aan doorlopende imitaties. Maar goed uitgevoerd ontvouwen de kristalijn gelouterde klanken zich zonder moeite. Constructief talent wil dan ook niet zeggen saai, zoals het vooroordeel wil.

Interessanter nog vond ik zaterdagnacht in de Pieterskerk bij Chapelle du Roi Cristóbal de Morales' Missa l'Homme armé voor vijf stemmen. Morales, een Spaanse tijdgenoot van Gombert, was de eerste die aan de isolatie van de Spaanse wat provinciale muziek wist te ontsnappen. Uiteraard schreef hij ook een mis over een motet van een zo gezaghebbend man als Gombert, waarmee hij de donkere toon gemeen heeft. Opmerkelijk is dat een tijdgenoot als Bermudo Morales ondanks zijn Spaanse charme als een buitenlander typeert, even buitenlands als `diepzinnige' Gombert. Want Morales bezat de techniek die zijn tijdgenoten ontbeerden, enigszins kreupel was Spaans uit vaardigheid sprak een internationale allure.

Wat het optreden van Ensemble Currende ook bijzonder maakte was de gesproken presentatie, die de aanleidingen van de gekozen staatsmotetten uit de doeken deed. Rudy van Hool maakte er zondagmiddag wederom in de Pieterskerk een compleet hoorspel van.

Concert: Festival Oude Muziek Utrecht. Ex tempore, La Capella Ducale, Chapelle du Roi en Ensemble Currende. Gehoord: 26 en 27/8 op diverse plaatsen te Utrecht. Opnames voor Radio 4 door AVRO en NCRV.