Boer en tuinder zijn wel degelijk milieubewust

Het beeld dat boeren en tuinders het niet zo nauw nemen met milieuregels is bezijden de waarheid. Er zijn maar weinig bedrijfstakken waar zoveel geld en inspanning worden besteed aan milieuvriendelijke productie, meent J.J.J. Langeslag.

Ze worden afgeschilderd alsof ze stilzitten en niets willen: de boeren en tuinders die werken met verboden bestrijdingsmiddelen. Ze zitten echter niet stil en zijn door allerhande afspraken geruime tijd in verwarring gebracht over de vraag wat met welk middel ging gebeuren.

In 1991 kwam het Meerjarenplan Gewasbescherming (MJP-G) met aangescherpte milieucriteria voor toetsing van bestrijdingsmiddelen. Er kwam een lijst met 144 stoffen die gesaneerd moesten worden vanwege de veronderstelde gevolgen voor het milieu. Saneren houdt in dat dat stoffen, of toepassingen die niet voldoen aan de milieucriteria, verboden worden. Het Besluit Milieutoelatingseisen werd in die zin gewijzigd en in 1995 van kracht. Fabrikanten meldden, hierop vooruitlopend, 57 stoffen voor een voorrangsbeoordeling. Vorig jaar bleek dat 74 van de 144 MJP-G stoffen binnen de milieucriteria vielen.

Vorig voorjaar werd met het CTB-besluit over de nog toegelaten stoffen pas officieel bekend welke stoffen, middelen en toepassingen daadwerkelijk werden verboden. Daarop trok het landbouwbedrijfsleven aan de bel vanwege de problemen die in diverse teelten dreigden te ontstaan. De Tweede Kamer drong aan op een tijdelijke regeling ter overbrugging van de periode tot wetswijziging. Die werd, na goedkeuring door Brussel, van kracht en boer en tuinder konden legaal de onmisbare toepassingen uitvoeren, totdat half juli het College van Beroep voor het Bedrijfsleven deze regelingen vernietigde. Midden in het teeltseizoen werd aldus boer en tuinder het instrumentarium ontnomen om hun teelt tot een goed einde te brengen.

Milieu-minister Pronk en staatssecretaris Faber vroegen vorig jaar zomer de organisatie van waterwinbedrijven Vewin en bestrijdingsmiddelenhandelaren Agrodis, LTO-Nederland en Natuur en Milieu de onmisbare stoffen in kaart te brengen. Dit leerde dat van de 42 stoffen met 860 toepassingen, er 36 toepassingen (slechts 4 procent) van 7 stoffen landbouwkundig onmisbaar zijn. Voor alle andere toepassingen bestaan alternatieven, of is de toepassing zodanig ontwikkeld (bijvoorbeeld via spuittechniek) dat milieunormen niet worden overschreden. Boer en tuinder hebben dus zeker niet stil gezeten.

Milieu- en consumentenorganisaties, maar ook het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel spelen een belangrijke rol bij dit onderwerp. In het overleg van de vier genoemde organisaties heeft Stichting Natuur en Milieu geen bruikbare alternatieven aan kunnen geven en de praktijk logenstraft uitlatingen over de potentie van biologische landbouw. Slechts anderhalf procent van het oppervlak wordt gebruikt voor biologische productie. Het overgrote deel hiervan is melkveehouderij. Onlangs werd trouwens bekend dat wegens het ontbreken van de vraag tienduizenden liters EKO-melk in het `gewone' circuit moesten worden afgezet. Ook in de plantaardige sectoren bestaat onvoldoende vraag naar biologisch geteelde producten en volgens het CBL is er zelfs geen plaats voor Nederlands biologisch geteeld fruit.

Dat agrarische ondernemers wel degelijk werken aan oplossingen blijkt bijvoorbeeld uit het Milieuprogramma Sierteelt (MPS) voor de bloementeelt. De telers registreren gebruik van meststoffen, energie, bestrijdingsmiddelen en de afvalproductie. Dit wordt vertaald in een bedrijfsclassificatie die aan de kopers bekend wordt gemaakt. Tussen 1995 en 1997 daalde het bestrijdingsmiddelengebruik met 25 procent. De groente- en fruitteelt heeft het programma Milieubewuste Teelt (MBT) opgezet waaraan 75 procent van de bedrijven in de glasgroenten en 55 procent van de bedrijven in de fruitteelt deelnemen. In de glastuinbouw bestaat het Glastuinbouw-Milieu-overleg en de bloembollensector kent het Doelgroepenoverleg dat het gebruik van middelen registreert en waakt over de kwaliteit van het oppervlaktewater. Voor de akkerbouw is een Masterplan ontwikkeld dat behelst minder middelen te gebruiken tegen de gevreesde aardappelziekte. En gelukkig, al is het mondjesmaat, zijn er ondernemers die omschakelen naar biologisch telen.

Ondernemers besteden, individueel en collectief, tientallen miljoenen guldens per jaar aan onderzoek naar veranderingen in teeltwijzen, resistente rassen en biologische bestrijding. Gelet op het kleine aantal resterende toepassingen van de kanalisatiestoffen is dit ook niet zonder resultaat gebleven. Op bedrijfsniveau worden investeringen ter vermindering van de milieubelasting gedaan. In 1997 werd voor 43 miljoen gulden investeringen, gericht op vermindering van de uitstoot van bestrijdingsmiddelen, aangemeld voor de zogeheten Vamil-regeling.

Het moge duidelijk zijn: boer en tuinder zitten niet stil. Integendeel, noem een bedrijfstak die zoveel geld en inspanning besteedt aan milieuvriendelijke productie. Zij verdienen dus een prikkelende zweep als aansporing om daarmee door te gaan, en niet de straffende gesel die sommigen thans hanteren.

Ir. J.J.J. Langeslag is voorzitter van de werkgroep LTO Gewasbescherming.