Stamboom

,,Domme jongen'', placht een oom van me te zeggen, ,,kat schrijf je niet met een u.''

Het grappige was: ik schrééf geen kat met een u, ik schreef zelfs geen kat met een a, ik schreef eigenlijk helemaal niks als hij dat zei. We zaten gewoon bij elkaar in het huisje van opoe op d'n Berm, of we stonden op de dijk naar de rivier te kijken, of we liepen naar het Brakels veer als Herovina moest voetballen – dat was op zaterdagmiddag.

Die oom zei dat dus zomaar. Maar niet in het wilde weg. Hij koos zijn momenten met zorg. Op den duur wist je natuurlijk wel wat je van hem kon verwachten, toch zag hij geregeld kans je te verrassen.

Wat hij ook weleens zei: ,,Het zag er zwart van de witte kippen.''

Of, wat hij zelf buitengewoon geslaagd vond, maar ik een tikje minder: ,,Toen liet de boer een houten muurtje bouwen.''

In zijn manier van lachen kon je de echo van mijn grootmoeder horen. Zij lachte van ganser harte en met heel haar lichaam: langgerekte hoe's afgewisseld met brokkelige hahaha`s. Daarbij sloeg ze zich op haar benen van plezier — in haar rieten stoel naast de kachel.

Van mijn grootvader, veel eerder overleden, herinner ik me meer terughoudendheid. Hij leek een beetje verlegen met wat hij leuk vond, of leuk maakte. Zijn gevoel voor humor was gecompliceerder, listiger. Altijd pretlichtjes in zijn ogen. Zo gaf hij je steeds het gevoel (zelden de zekerheid) dat je ertussen genomen werd.

Beide manieren van lachen, en verschillende mengvormen ervan, vind je terug in de volgende generatie. Wat ik mij nu, vaagjes glimlachend, realiseer: dat ik me van al mijn ooms en tantes (ook de minder bekende, ook de aangetrouwde) en ook van veel neven en nichten het lachen herinner. Zo, beginnend bij die ene oom, zit ik een tijdje in mijn interne fotoalbum te bladeren. De opnamen zijn verbluffend helder; zie ik iemand lachen, dan zie ik de hele persoon.

,,Het gaat goed dokter'', kon hij ook zo plotseling zeggen, ,,doe het andere been er ook maar af.''

    • Koos van Zomeren